Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grond in contradictoir debat, men trachte beider belangen tegen elkander op te wegen en met elkaar te verzoenen en men stelle zulks vast bij de akte van concessie.

Nadat nog graaf Defekmon de meening had geuit dat, evengoed als de concessionaris eene jaarlijksche uitkeering aan den Staat had te betalen, men zeker ook in staat zou wezen, die aan den eigenaar van den grond vast te stellen en graaf Regnaüd ten slotte nog den wensch had uitgesproken, dat die uitkeering ten minste niet eene proportioneele, maar wel eene vaste, zou wezen, zooals door graaf Berlin was voorgesteld, werd overgegaan tot de behandeling der artikelen.

Het voor de derde maal geredigeerde wetsontwerp werd behandeld in de vergaderingen van den Staatsraad van 20, 24 en 27 Juni, 1, 4, 8, 11 en 15 Juli 1809. Napoleon was bij die behandeling niet tegenwoordig en werden de vergaderingen door den Aartskanselier gepresideerd.

De vergadering van 24 Juni 1809 is voor ons nog van bijzonder belang. Daarin werd o. a. behandeld art. 21, dat gelijkluidend was met de eerste alinea van art. 16 1) deilater afgekondigde wet, maar waaraan toen de tweede alinea ontbrak.

Men verkeerde op dat oogenblik nog geheel onder den indruk van hetgeen Napoleon gezegd had en scheen bereid aan den eigenaar van den grond zelfs eenig recht van voorkeur bij het verleenen der concessie toe te staan, welk denkbeeld echter later geheel losgelaten werd.

De Aartskanselier. Wanneer bij het verleenen van concessie de voorkeur wordt gegeven aan den eigenaar van

1) Art. 16. Le gouvernement juge des motifs ou considérations d'après lesquels la préférence doit être accordée aux divers demandeurs en eoncession, qu'ils soient propriétaires de la surface, inventeurs ou autres.

En cas que 1'inventeur n'obtienne pas la eoncession d'une mine, il aura droit a une indenmité de la part du concessionnaire: elle sera réglée par 1'acte de eoncession.

Sluiten