Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Napoleon zegt, dat men als beginsel voorop moet stellen, dat de eigenaar van de oppervlakte ook eigenaar is van hetgeen zich daaronder bevindt, tenzij hetgeen onder den grond is aan een ander geconcedeerd wordt. In dit geval ontvangt de eigenaar van de oppervlakte eene schadevergoeding voor de derving van zijn recht, om van de oppervlakte gebruik te maken. Het zou overigens nuttig wezen nu, alvorens verder te gaan, te weten te komen hoe in dit opzicht de wetgeving is in de andere staten van Europa. Ue sectie van Binnenlandsche Zaken moest daarover een rapport indienen.

Aan deze opdracht werd voldaan en het schijnt, dat de memorie, die hierover werd opgesteld, en vooral ook een verzoekschrift van de eigenaren van kolenmijnen in het departement van Jemappes, die zich zeer bezwaard gevoelden over verschillende bepalingen van het ontwerp, vooral wijziging heeft gebracht in de door Napoleon tot daartoe telkens weder op den voorgrond gestelde beginselen , ofschoon men, met het oog op art. 552 van den Code Civil, natuurlijk genoodzaakt bleef het recht van den eigenaar van de oppervlakte niet geheel ter zijde te stellen.

Sedert het jaar IV was de mijnwet van het jaar 1791 in het departement van Jemappes van kracht verklaard en de mijneigenaren, die tot daartoe, overeenkomstig het Duitsche mijnrechtelijke stelsel, en volgens de wetten van Henegouwen, hunne mijnen als eigendom hadden kunnen beschouwen, een eigendom die afgescheiden was van dien van de oppervlakte, waren overeenkomstig de bepalingen van de wet van 1791 genoodzaakt geweest, om nieuwe concessies van slechts 50 jaren van het Fransche gouv ernement te aanvaarden. Velen hadden nog niet aan dien eisch voldaan en nu werd er eene wet voorbereid, die weliswaar de beperkte duur der concessies zou opheffen, maar daarentegen eene vermoedelijk belangrijke jaarlijksche uitkeering aan de eigenaren van de oppervlakte zou vaststellen, iets

Sluiten