Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te handhaven om de concessie te kunnen geven, hetzij aan den eigenaar van den bovengrond, hetzij aan anderen, en in verItand daarmede is art. 1G in de wet opgenomen. Dat stelsel heeft ook in België gegolden, doch is m ls:5< gewijzigd in dien zin, dat een recht van voorkeur aan zekere grondeigenaars werd gegeven. De meening, die ik lner verkondig, is niet alleen de mijne, maar wordt door bekende schrijvers over mijnrecht, o. a. door Delebecque, Dk Fooz en Achenbach gehuldigd. De geachte afgevaardigde uit Maastricht, de Heer De Ras, heeft zich ook beroepen op Achenbach en wel op hetgeen voorkomt op bladz. '231, om te constateeren, dat er onder gehoudenheid tot het verleenen eener schadeloosstelling aan den „ inventeur", voor de Regeering volkomen vrijheid bij de concessieverleening bestaat. De conclusie is dus deze, dat de Staat in ieder ge\ al volkomen vrij is om concessie te verleenen aan wien hij wil, hetzij aan den vinder, hetzij aan den eigenaar van den bovengrond, hetzij aan anderen. Dit is ook duidelijk in het licht gesteld door den Heer De Savornin Lohman.

Het is niet noodig hier den Minister woord voor woord te volgen, maar hij heeft zich vergist door te zeggen, dat de wet van 1810 geene vergunningen tot exploratie kent.

Artikel 10 toch zegt:

„Nul ne peut faire des recherches pour decouvrir des

mines, enfoncer des sondes ou tarières sur un terrain qui ne lui appartient pas, que du consentementdupropriétaire de la surface, ou avec Vautorisation du gouvernement, 1) donnée après avoir consulté 1'administration des mines, a la charge d'une préalable indemnité envers le propriétaire

et après qu'il aura été entendu."

Het beginsel van de wet bestaat hierin, dat hij, die mijnbouwkundige opsporingen wenscht te verrichten, zich daartoe in de eerste plaats met den grondeigenaar moet verstaan en eerst wanneer deze niet bereid is hem de

1) Door mij gecursiveerd.

Sluiten