Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodzakelijke vergunning te verleenen, kan hij zich tot de Regeering wenden, die hem dan de gewenschte vergunning verleent, op advies van den gouvernements-mijningenieur.

Ditzelfde systeem werd in de Pruisische mijnwet van 1865, waar men, op grond van de sedert een halve eeuw opgedane ondervinding, in staat was de zaak zoo veel beter te regelen, overgenomen en hier wordt in art. 5 nog bepaald, wat in de Fransche wet wel bedoeld maar niet uitdrukkelijk gezegd is, dat de eigenaar van den grond zulke mijnbouwkundige opsporingen moet toestaan. Zoowel volgens het systeem van deze wet als dat van de Fransche van 1810 verzekert de ontdekker zich zijne rechten door, overeenkomstig de bepalingen van de wet, concessie aan te vragen. Van af dat oogenblik heeft hij rechten verkregen, het recht op concessie of, volgens de Fr. mijnwet, op schadevergoeding, indien de concessie hem niet verleend wordt. Bij de Pruisische wet is bepaald, dat de ontdekker, die zijn aanvraag om concessie, overeenkomstig de voorschriften van de wet, heeft ingediend, het recht heeft aanspraak te maken op eene terreinuitgestrektheid van 210 hectaren, voor zoover nog voldoende vrij terrein disponibel is.

De begrenzing mag hij — onder zekere condities — zelf vaststellen. De Fransche mijnwet daarentegen laat het vaststellen der begrenzing van het terrein van concessie, en van de uitgestrektheid daarvan, geheel over aan het oordeel van de Regeering.

Het niet toekennen van een uitsluitend recht van opsporing, voor een bepaald omschreven terrein, is zeker een van de hoofdgebreken van de anders zoo voortreffelijke Pruisische mijnwet en dat zulks ook een nadeel van de Fransche mijnwet van 1810 is, blijkt nu weder uit het gebeurde in Limburg. Hoe de Regeering in een dergelijk geval te handelen heeft hebben wij overigens bereids op pag. 47 uiteengezet, maar omdat hier, in de veronderstelling harer onpartijdigheid, aan de Regeering volkomen vrijheid is gelaten, om de begrenzing van het terrein van concessie

Sluiten