Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te laten bestaan, doch artikel 4 te wijzigen in dezen geest: „ hij die eene vergoeding hetzij als in art. 3 bedoeld, hetzij als voortvloeiende uit art. 16 van de wet van 1810, meent te kunnen vorderen," enz.

Opmerkelijk was de bestrijding van dit voorstel van de zijde van den Minister, die juist datgeen wat hijzelf gedaan had, in het voorstel van den heer van Kaknebeek meende te moeten laken.

De Minister heeft aan artikel 16 van de wet van 1S10 eene uitlegging gegeven, die ze volgens alle autoriteiten op het gebied van het mijnrecht niet heeft en artikel 3 van de wet van 24 Juni 1901, dat uitdrukking geeft aan deze verkeerde opvatting, schept dus een nieuw recht, dat niet in overeenstemming is met de mijnwet van 1810; en nu hooren wij den Minister het volgende zeggen: „ Daarmede 1) zou dan worden uitgemaakt, dat met de schadeloosstelling in art. 16 van de wet van 1810 genoemd, iets anders bedoeld wordt dan de gewone schadeloosstelling 2). Maar dan schept men eeu geheel nieuw recht. Dan stelt men ai't. 16 van de wet van 1810 tegenover de bepaling van art. 3 van dit ontwerp

Zeer gelukkig was de heer de Savornin Lohman aan het slot der discussies en kunnen wij niet nalaten hetgeen hij toen zeide hier weer te geven, daarbij ons leedwezen betuigende, dat deze uitnemende rechtsgeleerde op dat oogenblik zich niet bewust was, dat de mijnwet van 1810 in de artikelen 16 en 46 afzonderlijke schadevergoedingen bedoelt, de eene voor winstderving en de andere voor gemaakte kosten. Hij zou dan zeker beter nog in de gelegenheid geweest zijn, om aan de Kamer eene juiste voorstelling van zaken te geven. Hij zeide.

„Mijnheer de Voorzitter! Ik heb met eenige verwondering de laatste argumentatie gehoord van den Minister van Waterstaat.

„De Minister toch zegt: volgens art. 16 is er geen indemniteit. Wat indemniteit is zal eerst afhangen van de Regee-

1) Met het amendement van den Heer \ an Kaknebekk n.1.

2) Onder gewone schadeloosstelling wordt hier bedoeld de schadeloosstelling volgens de uitlegging van den Minister.

Sluiten