Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ALGEMEEN OVERZICHT.

Inleiding. Het vraagstuk der volkshuisvesting trok sedert geruimen tijd de aandacht van allen, die in maatschappelijke aangelegenheden belangstellen. In steeds ruimeren kring, bij vertegenwoordigers van uiteenloopende staatkundige en godsdienstige richtingen vestigde zich de overtuiging, dat eene wettelijke regeling van de maatregelen tot verbetering der woningtoestanden eene dringende noodzakelijkheid moest worden geacht. Wel hadden particulieren door ijverige bemoeiing veel op dit gebied tot stand gébracht, in enkele plaatsen van ons land ondersteund door de gemeentebesturen, doch deze individueele pogingen bleken op den duur toch maar weinig te vermogen tegenover het kwaad der slechte volkshuisvesting. Vooral vormde voor de particulieren, die zich aan de oplossing van het vraagstuk wijden wilden, de moeilijkheid, om tegen matige rente de beschikking over de noodige kapitalen voor woningbouw te verkrijgen, een struikelblok. De ' gemeentebesturen gevoelden zich in hun streven belemmerd door de bestaande onzekerheid ten aanzien van de grenzen hunner bevoegdheden, en ook waar die onzekerheid niet bestond, viel op den gestadigen ijver dier besturen weinig te roemen. Zij deinsden voor den omvang van het vraagstuk terug of vreesden, dat bij ingrijpen hunnerzijds, .particuliere belangen te zeer zouden worden geschaad. Zoo ontstond een algemeene aandrang, om een wettelijke regeling te verkrijgen, waaraan de Regeering gevolg gaf door dd. 11 September 1899 een ontwerp, vergezeld van eene Memorie van Toelichting, in te dienen, houdende wettelijke bepalingen betreffende de volkshuisvesting, kortelijk Ontwerp-Woningwet genaamd (H. II 1899—1900, No. 74). Dit wetsontwerp draagt de onderteekening van de Ministers van Binnenlandsche Zaken Goeman Borgesius, van Justitie Cort van der Linden en van Financiën Pierson.

Te gelijker tijd werd ingediend een wetsontwerp tot regeling van het staatstoezicht op de volksgezondheid, kortelijk genaamd

Sluiten