Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ontwerf-Gezondheidswet. Aan de ambtenaren en colleges, krachtens de Gezondheidswet aan te stellen, is mede de zorg voor de uitvoering der Woningwet opgedragen, l'ithoofde van dit verband tusschen beide wetten is als bijlage achteraan dit werk de tekst der Gezondheidswet opgenomen.

De Tweede Kamer besloot de beide wetsontwerpen niet de gewone parlementaire behandeling te doen ondergaan, maar ze te stellen in handen van eene Commissie van Voorbereiding, bestaande uit de heeren Druckkr, Kolkman, Goekoop, van Alphes en IIeldt, van welke eerstgenoemde als Voorzitter fungeerde. Het lijvige Verslag dier Commissie, bevattende de uitkomsten van het gehouden afdeelings-onderzoek, de Memorie van Antwoord der Regeering en de uitkomsten van het tusschen de Commissie en de Regeering gehouden mondeling overleg verscheen 25 Jan. 1901 (H. II, 34 1900-1901 n°. 1).

De Regeering deed te gelijk met het Verslag verschijnen eene nota van wijziging naar aanleiding van het afdeelings-verslag, eene nadere nota van wijziging naar aanleiding van het mondeling overleg en een gewijzigd ontwerp van wet (H. II, 34 1900 1901, n"s. 2, 3, 4 en 5). Op enkele ondergeschikte punten werden nog nota's van wijziging ingediend, dd. 20 en 27 Maart 1901 (H. II, 34 1900 -1901, n-«. 23 en 34).

De openbare beraadslaging in de Tweede Kamer ving aan op 14 Maart en eindigde op 29 Maart 1901. De tweede lezing van het ontwerp werd gehouden op Vrijdag 19 April, waarna het ontweip met 72 tegen 4 stemmen werd aangenomen. De wijzigingen, bij tweede lezing in het ontwerp gebracht, zijn vervat in H. II, 34 1900-1901 n°. 40.

Door de Eerste Kamer werd over het ontwerp verslag uitgebracht op 18 Mei 1901 (H. I blz. 373), waarop de Regeering eene Memorie van Antwoord liet volgen op 29 Mei 1901. (H. 1 blz. 415). De beraadslaging vond plaats op 18 en 19 Juni, waarna het wetsontwerp werd aangenomen met 25 tegen 19 stemmen.

De woningwet verscheen op 22 Juni 1901 in het Staatsblad (n . 158).

De hoofdstrekking van het ontwerp werd door de Regeering in de memorie van toelichting op de navolgende wijze uiteengezet. Vier oorzaken worden aangegeven, welke ertoe hebben bijgediagen, dat in Nederland het woningvraagstuk een voorname plaats inneemt op het gebied der sociale politiek en staatsbemoeiing \iy algemeen noodzakelijk wordt geacht. Allereeist het belang dei zaak zelve, het nauwe verband tusschen de volkshuisvesting en de

Sluiten