Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duidelijkheid af te leiden, dat de staatsbemoeiing op het gebied der volkshuisvesting, welke nu eenmaal ter behartiging van dit groote belang noodzakelijk is, door vele leden der Eerste Kamer in beginsel bedenkelijk werd geacht. Gelukkig verklaarde zich na de krachtige verdediging van het ontwerp door de Regeering een kleine meerderheid vóór het ontwerp.

De bedenkingen, welke het ontwerp in zijnen oorspronkelijken vorm bij de volksvertegenwoordiging ontmoette, betroffen in de eerste plaat3 de staatsrechtelijke constructie.

Het ontwerp bevatte oorspronkelijk in artikel 1 eene algemeene bepaling: „De volkshuisvesting is een voorwerp van de aanhoudende zorg der gemeentebesturen". De strekking van dit voorschrift, in verband met de overige bepalingen, moest, ingevolge de toelich ting, deze zijn, dat de gemeentelijke autonomie gehandhaafd bleef, doch de gemeentebesturen met klem werden herinnerd aan de verplichtingen, welke te dezer zake op hen rustten. Tot dusverre waren de gemeentebesturen de eenige macht, welke op het gebied der woningzorg regelen kon stellen, aangezien er geen wet en evenmin provinciale verordeningen bestonden. De gemeentebesturen waren vrij, zoowel ten aanzien van het al of niet regelen stellen als ten aanzien van den inhoud dier regelen. De bevoegdheid, om voorschriften te geven, ontleenden zij aan artikel 135 der Gemeentewet, volgens welke bepaling aan den raad het maken van de verordeningen behoort, die in het belang der openbare orde, zedelijkheid en gezondheid worden vereischt, en van andere betreffende de huishouding der gemeente. In het ontwerp-Woningwet werd nu op de gemeentebesturen eene verplichting gelegd, om voorschriften vast te stellen, en werden de hoofdlijnen dier voorschriften aangegeven, welke vóór hunne vaststelling onderworpen werden aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, die ook bevoegd zouden zijn bij stilzitten van een gemeentebestuur in te grijpen en desnoods zelve tot de vaststelling over te gaan. Dit stelsel van het ontwerp, in verband met het voorgedragen artikel 1, gaf aanleiding tot principieele kritiek. (Verslag V. blz. 8). Herinnerd werd, dat volgens het eerste lid van artikel 144 der Grondwet aan den raad de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente wordt overgelaten en in het tweede lid van het artikel de raad bevoegd verklaard wordt, de verordeningen te maken, die hij in het belang der gemeente noodig oordeelt. Ten aanzien van de vraag, of de bouwpolitie een zaak is, welke tot de gemeentelijke huishouding behoort, scheen, zoo zeide men, de Regeering op twee gedachten te hinken. Uit het ontworpen artikel 1 zou zijn af te

Sluiten