Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„king van de in artikel 1 bedoelde voorschriften worden binnen „tweemaal 24 uren na de vaststelling medegedeeld aan Gedeputeerde Staten en kunnen door Ons, zoover zij met de wetten of „het algemeen belang strijden, worden geschorst of vernietigd".

„Indien binnen twee jaren na het in werking treden dezer „wet geene voorschriften als bedoeld in artikel 1 zijn tot stand „gekomen, kunnen Gedeputeerde Staten zoodanige voorschriften „vaststellen. Deze kunnen door Ons, zoover zij met de wetten of „het algemeen belang strijden, worden geschorst of vernietigd. „De gemeenteraad is bevoegd de door Gedeputeerde Staten vastgestelde voorschriften te wijzigen of in te trekken".

De voorsteller van het amendement had voornamelijk bezwaar tegen het onderwerpen der gemeentelijke verordeningen aan het goedkeuringsrecht van Gedeputeerde Staten. Daarentegen had hij er geen overwegende bedenking tegen, dit college te belasten met het vaststellen der voorschriften, indien een gemeentebestuur nalatig blijft dit te doen, mits aan Gedeputeerde Staten slechts eene bevoegdheid werd verleend en geen verplichting werd opgelegd, om hiertoe over te gaan.

Door den heer Kuyper werd daarentegen juist oppositie gevoerd tegen de strekking van artikel 8, terwijl hij bereid was zich neder te leggen 'bij de regeling van het ontworpen artikel 7. Zijn amendement strekte om artikel 8 te lezen als volgt:

„Indien binnen twee jaren na het in werking treden van deze „wet geene voorschriften, als bedoeld in artikel 1 en goedgekeurd „overeenkomstig artikel 7, tot stand zijn gekomen, wijst eene wet „het gezag aan, dat voor de naleving van deze wet het gemeentebestuur vervangt; regelt zooveel noodig de bevoegdheden van dit „gezag en bepaalt hoe uit de gemeentekas de noodige gelden ter „zijner beschikking komen".

De oppositie tegen het Regeeringsvoorstel was dus verdeeld; bij den een vond het tweede middel tegenover de gemeentebesturen goedkeuring, het eerste bestrijding, bij den ander bleek het omgekeerde het geval te zijn. Duidelijk kwam hierdoor aan het licht, dat de gemeentelijke autonomie op het stuk der volkshuisvesting in geen geval intakt zou kunnen blijven, wilde men een beteren toestand scheppen.

De Minister van Binnenlandsche Zaken betoogde, dat door het ajnendement-LoHMAN eene regeling slechts in schijn zou ontstaan; het bloot mededeelen der vastgestelde verordening aan Gedeputeerde Staten heeft geenerlei beteekenis en de waarde der bevoegdheid, aan Gedeputeerde Staten volgens het voorstel-LoHMAX in

Sluiten