Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onteigening betrekking had, gelijktijdig in veiling zouden worden gebracht. De Minister van Justitie en de Voorzitter der Commissie van Voorbereiding verzetten zich krachtig tegen het amendement. Z\j betoogden, dat artikel 92 geenszins de strekking heeft, een geforceerden verkoop van alle terreinen als basis deischatting te doen aannemen. De bedoeling van het artikel is juist deze, dat de schatters in aanmerking zullen nemen, wat de veilingsprijs zou zijn geweest, wanneer de perceelen stuk voor stuk, maar binnen een redelijken termijn, aan de markt waren gebracht. Nam men aan, zooals de heer Tydeman wilde, dat de waarde zou worden geschat naar de veilingswaarde van één perceel, indien dit alleen in veiling werd gebracht, dan zou de eigenaar veel te veel krijgen, omdat voor een enkel klein stukje, uit een complex van gronden genomen, veelal een buitengewone prijs is te bedingen. Men moet dus aannemen, dat de perceelen noch alle gelijktijdig, noch ieder afzonderlijk worden geveild. Stel dat voor een bouwplan eene onteigening moet plaats hebben van 10 H.A. grond. Het moet dan bij de beoordeeling van eene daarvoor te geven vergoeding geen verschil maken, of die 10 H.A. toebehooren aan één eigenaar of aan tal van verschillende eigenaren. Het gevolg van het amendement-tydeman zou stellig geweest zijn, dat. naarmate die 10 H.A. waren verdeeld over meer eigenaars, de onteigenaar meer zou hebben te betalen. Volgens de Regeeringsredactie daarentegen moet men als de waarde van één stuk grond den prijs aannemen, dien het zou opbrengen bij vrijwilligen verkoop als bouwterrein, gesteld dat in dezelfde periode de andere voor de onteigening vereischte stukken eveneens werden aangeboden. De schatters moeten dus aannemen, dat er is een algemeene markt van het bouwterrein, en dat geen gronden vastgehouden worden door enkelen, die niet willen verkoopen. Aldus ontstaat een normale, gemiddelde prijs en die prijs is de grondslag van de schatting.

Na deze bestrijding werd het amendement-TYDEMAN met 41 tegen 39 stemmen verworpen.

In het Voorloopig Verslag der Eerste Kamer werd op de kwestie teruggekomen. De Regeering gaf naar aanleiding daarvan in de Memorie van Antwoord opnieuw eene uiteenzetting van de strekking der wetsbepaling. Zij betoogde, dat ter bepaling van de waarde van een perceel, behoorende tot een complex van goederen, op welke het besluit tot onteigening betrekking heeft, de waarde moet worden genomen, welke aan het perceel zou moeten worden toegekend in evenredigheid van den gezamenlijken prijs, dien de goederen zouden blijken te hebben opgebracht, indien gedurende

Sluiten