Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

behoeven. Het in het Verslag vermelde bezwaar, dat de oorspronkelijke redactie niet zou slaan op een gebouw, met de bestemming van pakhuis gebouwd, doch niet als zoodanig, maar als woning gebezigd, werd door den heer Lohman onjuist geacht, aangezien sub «, waar in het O. O. stond „een tot bewoning bestemd gebouw op te richten" thans gelezen werd: „een gebouw op te richten". Voor den bouw van zoodanig quasi-pakhuis zal dus vergunning noodig zijn, zoodat uit de aanvrage en de overgelegde teekeningen zal blijken, dat een tot bewoning bestemd huis bedoeld is. De Minister vereenigde zich met deze redeneering en nam het ainendement-LouMAX over. (H. II blz. 1270).

6. De bepaling van het tweede lid schenkt rechtszekerheid aan hen, die vergunning vragen. De voorschriften der bouwverordening behooren zoodanig te zijn ingericht, dat bij naleving daarvan het erlangen van vergunning tot bouwen verzekerd zij, behoudens ingeval niet is voldaan aan eisclien, welke Burgemeester en Wethouders krachtens machtiging van den Raad ingevolge artikel 6 meenen te moeten stellen.

7. Uit het derde lid blijkt, dat aan het verleenen der vergunning voorwaarden kunnen worden verbonden. In het O. O. ging aan deze bepaling eene alinea voorat': „Aan het verleenen der vergunning kan als voorwaarde worden verbonden het betalen van eene bijdrage in de kosten van bestrating, rioleering, verlichting en aanleg van waterleiding, ingeval bij plaatselijke verordening dienaangaande bepalingen zijn gesteld en daarbij het bedrag dier bijdrage is geregeld". Door de Commissie van Voorbereiding werd opgemerkt, dat het twijfelachtig is, of het doenlijk zou zijn in eene algemeene verordening de grondslagen van de te heffen bijdragen zóó te regelen, dat die grondslagen passen voor de velerlei in de praktijk voorkomende gevallen, en voorts, dat het niet duidelijk was, welke de verhouding zal zijn van de hier bedoelde belasting tot de heffing bedoeld in artikel '240 j der Gemeentewet. Zij vroeg ook, of laatstgenoemde heffing bestaanbaar zou zijn nevens de heffing van de bijdragen, waarvan hier sprake is. De Regeering erkende, dat geen bevredigende oplossing van de verschillende moeilijkheden, welke zich te dezer zake voordeden, was te verkrijgen en liet daarom de voorgestelde alinea vervallen (Verslag M. O. blz. 16). Op dit punt blijft derhalve de toestand onveranderd. De gemeentebesturen kunnen voortgaan met, als tot dusverre bij het verleenen der vergunning, contractueel van de bouwers te bedingen, dat zij den grond voor wegen kosteloos

Sluiten