Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitgesproken door den gemeenteraad, bij besluit van Gedeputeerde Staten, den inspecteur gehoord.

2. Bij opheffing der onbewoonbaarverklaring wordt het kenteeken, in artikel 18 bedoeld, verwijderd.

Omtrent den grond behoefde in artikel 24 niets bepaald te worden; deze verblijft natuurlijk aan den eigenaar.

Volgens het eerste lid van artikel 25 is de autoriteit, die de onbewoonbaarverklaring uitsprak, ook bevoegd tot de opheffing. In het O. O. werd voorgeschreven, dat voldoende moest blijken, dat de woning alsnog in bewoonbaren staat wordt of is gebracht. In het G. O. is hierin verandering gebracht en de opheffing der onbewoonbaarverklaring alleen toegelaten, wanneer de woning in bewoonbaren staat is gebracht. (Verslag M. blz. 27).

§ 5. Onteigening.

Artikel 26. (Aanhef en slot).

I.

Aan de wet van den 28 Augustus 1851 (Staatsblad n". 125) laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 April 1886 (Staatsblad n°. 64) wordt toegevoegd een IVde Titel „Over onteigening in het belang der volkshuisvesting."

Deze Titel bevat de volgende bepalingen: (')

II.

Artikel 77 der wet van den 28 Augustus 1851 (Staatsblad n°. 125), laatstelijk gewijzigd bij de wet van den 15 April 1886 (Staatsblad n". 64) wordt artikel 97; artikel 78 dier wet wordt artikel 98.

Vergelijk over de reden, die er toe leidde, een nieuwen vierden titel van de Onteigeningswet in te lasschen in de Woningwet, het algemeen overzicht blz. 52.

De nummering der hieronder behandelde artikelen 77—96 is die van de artikelen der Onteigeningswet.

Artikel 77.

Zonder voorafgaande verklaring bij de wet, dat het algemeen nut de onteigening vordert, kan in het belang der volkshuisvesting onteigening plaats vinden:

(1) Hier volgen de art. 77-96.

Sluiten