Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestuur geenerlei geldelijk voordeel mogen genieten: dat de uitdeelingen aan leden of deelhebbers moeten beperkt blijven tot een in de reglementen of statuten aangewezen maximum; dat in geval van liquidatie eventueele overschotten boven het bijeengebrachte kapitaal bestemd moeten worden voor een in de reglementen of statuten aangeduid algemeen maatschappelijk belang, bij voorkeur voor verbetering der volkshuisvesting; dat elke wijziging van de reglementen of statuten moet worden onderworpen aan de goedkeuriug van den Gemeenteraad en daarna aan die der Koningin. (Verslag II. O. blz. 30).

Bij de beraadslagingen merkte de Minister van Justitie nog op, dat het niet alleen de bedoeling is, bij algemeenen maatregel waarborgen te geven tegen winstbejag, maar in het algemeen eischen te stellen, dus ook wat de juridieke constructie betreft.

Om verdeeling der bezittingen onder de leden te voorkomen, zal het overnemen van den grond door de leden tegen den kostenden prijs verboden kunnen worden.

2. In het O. O. werden vermeld „vereenigingen en maatschappijen"In het G. O. werd naar aanleiding van eene vraag in het Verslag over de beteekenis van het woord ,maatschappijen" hiervoor in de plaats gesteld .,vennootschappen en stichtingen." Bij de beraadslagingen betoogde de heer Pijnappel, dat de vennootschap onder tinna en de commanditaire vennootschap vanzelf niet in aanmerking kunnen komen voor toelating, daar men bij hen geen meerdere waarborgen voor stabiliteit enz. aantreft dan bij bijzondere personen, die opzettelijk in de wet niet worden vernield. I)e burgerlijke maatschap zal ook uitgesloten zijn, omdat zij bestemd is voor burgerlijke handelingen en niet tegenover derden optreedt. De vraag rijst, of ook de naamlooze vennootschap niet eveneens uitgesloten zal zijn, daar volgens een arrest van den Hoogen Iiaad de naamlooze vennootschappen alleen bestemd zijn voor handelszaken, terwijl de in artikel 78 der Woningwet bedoelde vennootschappen bestemd zijn bouwmaatschappij te zijn en geen handelszaken drijven. Spreker drong daarom aan op wijziging van de desbetreffende bepaling in het Wetboek van Koophandel (B. II blz. 133t>).

De Minister van Justitie antwoordde hierop, dat hij de zienswijze van den heer Pijnappel ten opzichte van vennootschappen onder firma, commanditaire vennootschappen en burgerlijke maatschappen deelde. Wat de naamlooze vennootschappen betreft, merkte de Minister op, dat door het ééne arrest van den Boogen Baad de jurisprudentie wellicht nog niet voorgoed gevestigd zou zijn, terwijl overigens, wanneer een naamlooze vennootschap, die zich ten doel stelt de ver-

Sluiten