Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

betering der volkshuisvesting, werd toegelaten alvorens de bepalingen van liet Wetboek van Koophandel zijn gewijzigd, dan toch de bezwaren niet groot zouden zijn, omdat die vennootschappen dan in het onteigeningsproces niet zouden kunnen optreden, daar zij geen rechtspersoonlijkheid zouden bezitten.

Het bedoelde arrest van den Hoogen Raad is van 7 Februari 1889 W. v. h. R. n°. 5692, waarbij werd beslist, dat uit geen wetsbepaling valt af te leiden, dat eene naaralooze vennootschap, die geen handel drijft, eene vennootschap van koophandel zou zijn, als bedoeld bij artikel 36 van het Wetboek van Koophandel.

Uit het antwoord van den Minister schijnt te volgen, dat deze, niettegenstaande dit arrest, tegen toelating der naaralooze vennootschappen en tegen het aan hen verleenen van voorschotten en bijdragen door de gemeentebesturen geen bezwaar zag. Het zal evenwel de vraag zijn, of, nu het rechtskarakter van naaralooze vennootschappen tot stichting en exploitatie van woningen onzeker is, de gemeentebesturen er geen bezwaar in zullen zien om hen, zoo zij toegelaten mochten worden, voorschotten en bijdragen te verleenen. In ieder geval is de door den heer Pijnappel verlangde partiëele wijziging van het Wetboek van Koophandel — waarbij volstaan kan worden met de bepaling, dat naamlooze vennootschappen zoowel voor burgerrechtelijke handelingen als voor daden van koophandel gebezigd kunnen worden — zeer gewenscht.

Wil men bij de oprichting van een lichaam, in het belang van verbetering der volkshuisvesting werkzaam, moeilijkheden vermijden, dan zal het raadzaam zijn, den vorm van vereeniging, rechtspersoonlijkheid bezittende volgens de wet van 1855, of dien van coöperatieve vereeniging te kiezen.

3. In het O. O. waren de vereenigingen enz. aangeduid als werkzaam .in het belang van verbetering der volkshuisvesting". Bij de beraadslagingen werden door de heeren Tydemax en Mackay nadere inlichtingen gevraagd over de beteekenis dezer uitdrukking. De Minister van Justitie merkte vooreerst op, dat die beteekenis dezelfde is als die van den term „in het belang der volkshuisvesting", welke op andere plaatsen in de wet gebezigd wordt. Overigens helde de Minister over tot de opvatting, dat niet alleen bedoeld zijn vereenigingen enz. ad hoe, d. w. z. opgericht voor het ééne bepaalde doel, zoodat zij ook een gemengd karakter zouden mogen dragen, mits zij zich op philanthropisch gebied bewogen. Deze omschrijving werd door de voormelde sprekers niet van voldoende scherpte geacht en de heer Mackay stelde voor, om het woord „uitsluitend" vóór „vereenigingen" in te

Sluiten