Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schadeloosstelling kunstmatig opdrijven, door, nadat het plan der onteigening is publiek gemaakt, veranderingen aan het goed aan te brengen.

Bij de discussie in de Eerste Kamer merkte de Minister van Justitie op, dat, wanneer gedurende de periode van zes maanden, bedoeld in artikel 92, welke voorafgaat aan de ter visie legging van het plan, nog nieuwe getimmerten worden aangebracht, deze bij de waarde-bepaling zeer zeker in aanmerking moeten komen (H. I blz. 504).

Artikel 92.

Als de werkelijke waarde, bedoeld in artikel 40, wordt aangemerkt, behoudens het bepaalde in de volgende artikelen, de som, die de goederen in het tijdperk, beginnende achttien maanden en eindigende zes maanden vóór den dag, waarop het plan, bedoeld in artikel 80, tweede en derde lid, ter inzage is nedergelegd, elk in het bijzonder hadden kunnen opbrengen, bijaldien alle goederen, op welke het besluit tot onteigening betrekking had, in het bovengenoemde tijdperk ten verkoop waren aangeboden.

1. Vergelijk over deze bepaling, welke eerst als artikel 94 in het O. O. was opgenomen en alleen op de ongebouwde eigendommen betrekking had, later in het G. O. naar artikel 92 werd overgebracht, over hare strekking en over de wijziging, welke zij bij de beraadslagingen onderging, alsmede over den strijd, die over de beteekenis der slotwoorden gevoerd werd, het algemeen overzicht blz. 54 tot 57.

De uitdrukking ^werkelijke waarde" kan als synoniem worden beschouwd met „verkoopwaarde". Met stand, ligging en bedrijf moet naar gelang van de omstandigheden rekening worden gehouden. Evenzoo met toekomstige waardevermeerdering, voorzoover die ook op den bij publieken verkoop te bedingen prijs zou influenceeren. (Verslag M. blz. 34).

2. In het O. O. werd gesproken van de som, die de goederen bij v o 11 e d i g e n verkoop hadden kunnen opbrengen. In het Verslag werd inlichting gevraagd over de beteekenis dezer uitdrukking en werd verzocht, te doen uitkomen, dat de gronden niet naar de gemiddelde waarde zouden mogen worden geschat. De Regeering antwoordde hierop, dat van gemiddelde waarde geen sprake kan zijn. De vraag, die de schatters ten aanzien van elk perceel te beantwoorden zullen hebben, is eenvoudig deze: .wat zou dit perceel hebben opgebracht, indien het niet op zichzelf, maar met al de andere, in het raadsbesluit genoemde, perceelen ware verkocht en voor dien verkoop het genoeg-

Sluiten