Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt aangewezen, die voor den aanleg van een straat, gracht of plein bestemd is. Toch is er eenige reden tot twijfel.

In het O. O. was het tegenwoordige derde lid het tweede en luidde : „op dit raadsbesluit zijn de bepalingen van artikel 7 van toepassing". De Memorie van Toelichting op art. '27 zegt: ..De bevoegdheid tot uitvaardiging van een verbod, om gebouwen te stellen of te herbouwen, is vastgeknoopt aan een voorafgaand raadsbesluit, waarbij de grond wordt aangewezen, welke aan de bebouwde kom grenst en in de naaste toekomst voor den aanleg van een straat, plein of park is bestemd. Eerst nadat op dit raadsbesluit, overeenkomstig het tweede lid, de goedkeuring van Gedeputeerde Staten is verkregen, kan het verbod in werking treden. Wijl het hier eene niet onbelangrijke beperking van het eigendomsrecht geldt en de aard dezer in het openbaar belang op te leggen beperking althans den schijn van willekeur in zich kan sluiten, is het raadzaam, aan het gemeentebestuur niet geheel en al de vrije hand te laten, maar zijn plan aan de goedkeuring van hooger autoriteit te onderwerpen. Tevens verdient het aanbeveling, over een plan, waarbij sanitaire belangen in hooge mate zijn betrokken, den inspecteur te hooren. Door toepasselijk-verklaring van artikel 7 wordt in een en ander voorzien". Hieruit zou volgen, dat het voorafgaand raadsbesluit, waarbij de grond wordt aangewezen voor aanleg van straten enz., aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten is onderworpen. Bij de beraadslaging stelde de Commissie van Voorbereiding een amendement voor, dat door de Regeering werd overgenomen, om na het derde lid eene nieuwe alinea in te voegen, luidende: „Artikel '28, 4e, 5e en 6e lid is te dezen van toepassing". Bij tweede lezing werd dit voorschrift vervangen dooide tegenwoordige 4e, 5e en 6e leden van artikel 27. Deze vervanging werd door den Minister van Binnenlandsclie Zaken toegelicht met de opmerking, dat in artikel '28 4e, 5e en 6e lid geen sprake is van een raadsbesluit, maar van andere bescheiden.

Hieruit zou men weder afleiden, dat de eerstvermelde opvatting de juiste is. Ook is de strekking van het tweede lid, dat Gedeputeerde Staten de volgens die bepaling mede te deelen „redenen" zullen beoordeelen. De Regeering motiveerde de toevoeging van het tweede lid aldus: „Aan den Gemeenteraad, die een raadsbesluit overeenkomstig art. 27 aan Gedeputeerde Staten ter goedkeuring inzendt, is de verplichting opgelegd, daarbij tevens aan ie geven, welk deel van ieders grond voor den aanleg van straten enz. wordt gereserveerd, en wanneer er eigenaars zijn, wier gronden voor meer dan een derde door straat-servituten zouden worden getroffen, tevens de redenen mede te deelen, waarom casu quo voor die gronden geen onteigening

Sluiten