Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

April 1884 (Staatsblad N°. 98) vrijwel dezelfde zijn gebleven, namen daarentegen hare werkzaamheden ter zake van het haar opgedragen kassierschap der Rijkspostspaarbank en de daarmede gepaard gaande bewaring van alle geldswaarden dier spaarbank en van de door deze in pand genomen waarden, eene ook door den Staat niet voorziene uitbreiding. De Bank had uit dien hoofde aan eigen fondsen der Rijkspostspaarbank op 31 Maart 1902 een waardebedrag van f 92 537 000 in bewaring tegen niet veel meer dan f 10 000 000 bij den aanvang van het boekjaar 1889—1890, en de in bewaring genomen prolongatieposten zijn van f l1/, millioen op 31 Maart 1889 gestegen tot ƒ 13 074 000 op 31 Maart *1902. Zoodoende wordt de bedoelde Rijksinstelling niet alleen ontheven van allerlei bemoeiingen, zooals het knippen der coupons en het bewerkstelligen van ruilingen van onderpanden, bijvoegingen voor surplus en aflossingen van prolongatieposten, waardoor groote vereenvoudiging van hare administratie wordt verkregen, maar ontloopt zij ook het risico verbonden aan liet in bewaring nemen van al die kapitalen. Want al moet de Nederlandsche Bank ingevolge art. 10 laatste lid, deiwet, hare medewerking te dezer zake zonder eenige vergoeding verleenen, zoo wordt de haar bij art. 1743 van het Burgerlijk Wetboek opgelegde aansprakelijkheid hierdoor uit den aard der zaak niet verminderd. En dat die aansprakelijkheid voor instellingen als de Bank geen te veronachtzamen factor mag geacht worden, hebben recente gebeurtenissen in het buitenland op de meest overtuigende wijze geleerd. Hoe afdoende en voortreffelijk de door de Bank verordende veiligheids- en controlemaatregelen ook zijn mogen, onvoorwaardelijk gewaarborgd tegen de gevolgen van ernstige vergissingen en weloverlegde kwade trouw is zij nimmer.

Op grond van het bovenstaande is de ondergeteekende overtuigd, dat de practijk onzer Bankwet ook in het jongst verstreken tijdperk harer werking deugdelijk is gebleken, en dat 's Lands belang het best gediend is, door die wet in hoofdzaak ongewijzigd te bestendigen. In deze overtuiging wordt hij gesterkt door hetgeen thans, in tegenstelling met de jaren vóór 1863 en vóór 1888, viel waar te nemen. Het is zeker niet aan toeval toe te schrijven, dat sedert de wet van 1888 de bankquaestie noch in officieele stukken noch in boeken of tijdschriften meer ter sprake kwam. De Bankwet van 1863 heeft het Staatsblad niet bereikt dan na levendigen strijd over het beginsel dat daaraan behoorde te worden ten grondslag gelegd, een strijd waaraan uitnemende mannen van beide zijden deelnamen. Eenige jaren voordat het in 1863 verleende 25-jarig octrooi verstreken was, zagen andermaal verschillende geschriften, waarbij wijzigingen

Sluiten