Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de toen geldende wetgeving werden bepleit, het licht. Maar sedert de wet van 1888 hoort men niet meer over dit onderwerp. Kritiek op de beginselen van ons bankwezen worden niet meer vernomen. Had niet de Yereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek, ten einde eene wetenschappelijke behandeling van het vraagstuk uit te lokken, dit voor hare jaarlijksche vergadering in 1902 aan de orde gesteld, zoo zou het waarschijnlijk geheel zijn blijven rusten. Hierin ligt ongetwijfeld een bewijs voor de deugdelijkheid van de beginselen die aan onze Bankwet ten grondslag liggen. Aan vrijmoedige kritiek op wetten en instellingen, waartegen werkelijke of' vermeende bezwaren bestaan, ontbreekt het ten huidigen dage allerminst. De afwezigheid van zoodanige kritiek ten aanzien van onze centrale emissiebank en credietinstelling en van de wet die hare werkzaamheid regelt, is een feit waarvan de groote beteekenis niet mag worden onderschat.

Ter voorbereiding van de zooeven genoemde bespreking in de Yereeniging voor de Staathuishoudkunde en de Statistiek verschenen drie hoogstbelangrijke praeadviezen. Twee der praeadviseurs verklaarden zich voor behoud van ons tegenwoordig bankstelsel; de derde bleek voorstander te zijn van de oprichting eener Staatsbank.

Het is hier de plaats niet om in beschouwingen te treden omtrent de waarde van verschillende bankstelsels in het afgetrokkene. Hiertoe bestaat te minder aanleiding nu in de bedoelde geschriften het vraagstuk van weerszijden zoo volledig werd behandeld. Wel echter dient een woord gezegd over het eenige voordeel van practischen aard, dat voor eene Staatsbank werd in het midden gebracht.

Dit voordeel zou bestaan in nauwere aansluiting tusschen de circulatiebank en den dienst der posterijen. Tweeërlei ware daardoor, volgens den schrijver die het denkbeeld opperde, te verkrijgen: vergemakkelijking van de disconteering van kleiner papier dan de Bank gewoonlijk krijgt, en goedkoopere gelegenheid tot overmaking van gelden en tot het doen van betalingen door het geheele land.

Hoe het eerste bereikbaar ware, is uit het bedoelde praeadvies niet met volkomen zekerheid na te gaan. Mocht bedoeld zyn, dat het personeel der postkantoren op kleine plaatsen de bevoegdheid zou moeten erlangen, zelfstandig over disconteering te beslissen of althans om het bankbestuur omtrent de soliditeit van het aangeboden papier voor te lichten, dan zou het denkbeeld zeker geene instemming verdienen. Men zou spoedig ontwaren, dat aan dit personeel de noodige kennis en geschiktheid voor dergelijke aan zijnen werkkring ten eenenmale vreemde en uiterst delicate werkzaamheid ontbreekt. Belangrijke verliezen zouden niet uitblijven.

Sluiten