Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rampen dit kan leiden. In landen, waar munt- en bankwezen in gezonden toestand verkeeren, wordt dan ook zoodanig papiergeld niet gevonden. In Duitschland zijn, wel is waar, Reichskassenscheinen tot een bedrag van 120 000 000 Rijksmark in omloop; maar deze behoeft niemand tegen zijn wil in betaling aan te nemen en bovendien is daarvoor verbonden de te Spandau bewaarde oorlogsschat ad 40 milloen Thalers.

Het ware zeker overdreven te beweren, dat de muntbiljetten, zoolang zij slechts tot een bedrag van /'15 000 000 worden uitgegeven voor ons land een onmiddellijk gevaar opleveren. Toch is dit papiergeld ongewenscht. Een Staat, die eenmaal ongedekt papier in omloop brengt en tot wettig betaalmiddel verklaart, bevindt zich op een verkeerden en gevaarlijken weg, waarop het verleidelijk is voort te schrijden. Wel bepaalt art. 22 der geldende Bankwet, dat het aandeel van den Staat in de winsten der Nederlandsche Bank vervalt, wanneer de Staat besluiten mocht om voor meer dan f 15 000 000 aan muntpapier uit te geven; maar deze breidel, hoewel in gewone tijden ongetwijfeld hecht genoeg, zou in dagen van crisis en onmiddeliyken geldelijken nood wellicht te zwak blijken. Is het publiek bij voortduring aan de muntbiljetten gewoon, blijven deze eene regelmatige plaats in ons geldwezen innemen, dan zullen Regeering en wetgever er toe kunnen komen, in moeilijke financieele omstandigheden het bedrag daarvan te vergrooten; doch minder gemakkelijk zal men tot vernieuwde uitgifte besluiten, wanneer de muntbiljetten niet meer bestaan en daarmede op principieele gronden is gebroken.

Voor Nederland in het bijzonder is er reden, ten deze van beproefde beginselen niet af te wijken. Door de daling van het zilver en wegens den grooten voorraad zilveren munten vertoont ons muntwezen toch reeds eene zeer zwakke zijde. Hieraan valt voorshands niets te veranderen. Te meer echter klemt het bezwaar tegen het ongedekte papier, dat, nevens de munten van gedeprecieerd metaal, in omloop wordt gehouden.

In herinnering zy gebracht, dat de Regeering in 1863 weerstand heeft weten te bieden aan den door sommigen uitgeoefenden aandrang om ook op Java papiergeld uit te geven, en liever de Javasche Bank gerechtigd heeft om hare circulatie met biljetten van f 5 te vermeerderen. Men heeft alle reden er zich over te verheugen, dat aldus is gehandeld en dat het Nederlandsch-Indische muntwezen daardoor van het papiergeld is verschoond gebleven.

Nevens de genoemde bezwaren tegen de handhaving van de muntbiljetten pleit eene overweging van zuiver practischen aard voor de in het ontwerp voorgestelde regeling.

Goud is t-en onzent weinig in omloop, Het wordt terecht door de Nederlandsche Bank vastgehouden om, zoo de wisselkoersen daartoe aanleiding geven, betalingen in specie aan het

Sluiten