Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— zeer buitengewone Omstandigheden daargelaten — geen rechtstreeksch voordeel brengen. Wel zal het totaal harer biljetten-circulatie stijgen, maar het is eene onjuiste meening, dat /.ij hierdoor in de gelegenheid zou z\jn, meer winst temaken. Wanneer de Bank tegen intrekking van muntbiljetten of grootere bankbiljetten, biljetten van ƒ 10 uitgeeft, levert haar dit geen profijt. Alleen de biljetten uitgegeven bij disconteering of beleening, doen winst ontstaan. En nu is het — gelijk reeds dooiden Minister Godin de Beaufort in de vergadering der Eerste Kamer d.d. 4 Augustus 1888 werd uiteengezet — niet aan te nemen, dat de Bank de gelegenheid zou hebben hare disconto's of beleeningen uit te breiden, doordien zij het recht verkrijgt ook coupures van ƒ 10 in omloop te brengen. Daarentegen zal de uitgifte van biljetten van f 10 wel vrij aanzienlijke kosten na zich sleepen, en zulks niet alleen voor den aanmaak maar ook voor de geregelde vervanging van gesleten exemplaren.

De verplichting om den Staat, zoo noodig, rentelooze voorschotten tot een maximum van f 15 000 000 te verstrekken, zal voor de Bank geen renteverlies tengevolge hebben. Die voorschotten toch worden uitbetaald in bankbiljetten; de Bank derft uit dien hoofde geen rente.

Ten slotte nog slechts de opmerking, dat, voor zoover Rijkskasgeld bij de Bank voorhanden zal zijn, uit den aard deizaak aan rentelooze voorschotten geen behoefte zal bestaan. Ook in de latere jaren bereikte het Rijkskasgeld vaak nog een aanzienlijk cijfer. In de laatste vier boekjaren had de Staat een gemiddeld bedrag van ongeveer 31/2 millioen gulden bij de Bank te goed. In December 1.1. wisselde het creditsaldo tusschen ongeveer 6 en 7 millioen gulden. De rentelooze voorschotten zullen dus veelal belangrijk beneden het maximum van ƒ15000000 blijven.

Art. (3. liezoldiging van den Koninklijken commissaris.

De bezoldiging van den Koninklijken commissaris, wiens taak het is, van Regeeringswege toezicht op de handelingen der Bank uit te oefenen, komt ingevolge art. j:0, laatste lid, der wet ten laste van de Bank zelve. Deze regeling is weinig rationeel en zou, mocht ooit conflict tusschen de Directie en den Koninklijken commissaris onstaan, dezen in eene eenigszins scheeve verhouding kunnen brengen. Beter schijnt het de bezoldiging ten laste van den Staat te brengen. Ook de wedden van den Rijkscommissaris bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en bij de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij zijn op de Staatsbegrooting uitgetrokken.

Daar de bezoldiging van den Koninklijken commissaris ƒ 3500

Sluiten