Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

's jaars bedraagt, is de zaak financieel van ondergeschikte beteekenis.

Art. 7. § 1. Verdeeling der winst.

Het beginsel, dat de Staat behoort te deelen in de voordeelen die het recht om als de circulatiebank werkzaam te zijn afwerpt, werd in 1888 in onze wetgeving opgenomen. Het toen aangenomen stelsel, dat de te dier zake aan den Staat uit te keeren vergoeding moet bestaan in een aandeel in de netto-winst, verdient aanbeveling. Aangezien omtrent den omvang van het operatiegebied der Bank in de toekomst met zekerheid niets valt te zeggen, en ook eene centrale circulatiebank, blijkens de ondervinding zoo hier te lande als in het buitenland, nu en dan verliezen lijdt, is het niet billijk, voor den Staat te bedingen hetzij eene vaste jaarlyksche uitkeering hetzij eene vergoeding berekend in verhouding tot den omvang van het opereerend kapitaal of van de niet door metaal gedekte biljettencirculatie.

Ook de bepaling der geldende wet, dat uit de winsten der Bank in de eerste plaats eene matige rente wordt vergoed over het aandeelen kapitaal, acht de ondergeteekende juist.

In zooverre dus wordt geene wijziging voorgesteld.

Daarentegen vereischt herziening de voet waarop de winst tusschen Staat en Bank zal worden verdeeld. De ondergeteekende toch onderschrijft geheel eene opmerking die in het Voorloopig Verslag van de Eerste Kamer der Staten-Generaal betreffende de Algemeene Beschouwingen der Staatsbegrooting voor 1901 wordt gevonden, alwaar men leest: „Sommige leden meenden, met volle waardeering van de wijze, waarop de Nederlandsche Bank hare taak vervult en met erkenning van hetgeen door die instelling is gedaan in het belang van ons muntwezen, dat de winstverdeeling, zooals' die laatstelijk is vastgesteld, zal behooren te worden herzien in dezen zin dat aan den Staat een ruimer aandeel in de winsten der Bank worde toegekend." Dienovereenkomstig is gehandeld De nieuwe winstverdeeling is voor den Staat aanmerkelijk voordeeliger dan die der tegenwoordige Bankwet.

Thans geldt het volgende:

eerst komt 5 pet. over het maatschappelijk kapitaal aan de Bank;

van het meerdere wordt 10 pet. in het reservefonds gestort; totdat dit f 5 000 000 heeft bereikt;

J) Handelingen der Staten-Generaal Eerste Kamer Zitting 1900 — 1901, bladz. 193.

Sluiten