Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gelegenheid bestaan, eerst specie van de hoofdbank te ontbieden.

Eindelijk is bij dit artikel een termijn van vyf jaren gesteld, gedurende welken de houders van muntbiljetten hunne rechten kunnen geldend maken.

Art. 3. Deze bepaling is ten gerieve van het publiek opgenomen. Zij zal eene spoedige intrekking bevorderen.

Art. 4. Ook thans worden, ingevolge het laatste lid van art. 5 der wet van 27 April 1884 (Staatsblad n°. 98), de ingetrokken muntbiljetten ter vernietiging bij de Algemeene Eekenkamer overgebracht.

De voorgestelde mededeeling in de Staatscourant maakt eene controle van het publiek op de intrekking mogelijk; tevens zal zij telkenmale de bevoegdheid tot inwisseling in herinnering brengen.

Art. 5. Volgens art. 3 der meergemelde wet van 1884 is eene som van ƒ 4 343 700 op het 3 pets. en van ƒ 18 788 000 op het 21/, pets. Grootboek der Nationale Schuld ingeschreven ten name van het „Fonds tot verzekering van de verwisseling der muntbiljetten tegen standpenningen." Dit fonds kan nu vervallen.

Art. 6. Op dezen datum zal het nieuwe octrooi van de Nederlandsche Bank ingaan en zullen dus bankbiljetten van ƒ 10 mogen worden uitgegeven.

De Minister van Financiën,

HARTE VAN TECKLENBURG.

Sluiten