Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TWEEDE KAMER.

VOORLOOPIG VERSLAG DER COMMISSIE VAN RAPPORTEURS.

Het afdeelingsonderzoek heeft aanleiding gegeven tot de volgende beschouwingen en opmerkingen.

Algemeene beschouwingen.

§ 1. Sommige leden betreurden de late indiening van het wetsontwerp tot verlenging en wijziging van het aan de Nederlandsche Bank verleende octrooi. Terwijl het bestaande octrooi reeds den 16den November 19C1 werd opgezegd, ontving de Kamer het vrij eenvoudige wetsontwerp eerst op 2 April 1903. Wel begreep men, dat de onderhandelingen, welke geleid hebben tot het verkrijgen van aanmerkelijk grootere voordeelen voor den Staat, niet gemakkelijk waren te voeren en dat daarvoor veel tijd noodig geweest is, maar dit neemt niet weg, dat niet alleen, gelijk de Minister van Financiën verklaart op bladz. 7 der Memorie van Toelichting, de positie der Regeering door de nadering van den termijn, waarop het bestaande octrooi vervalt, wordt verzwakt, maar dat daardoor ook de vrijheid van beslissing der Staten-Generaal wordt verkort. Gesteld, dat men wilde overgaan tot oprichting van eene Staatsbank, het zou hoogst moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn daartoe thans te besluiten, omdat de tijd ontbreekt vóór 1 April 1904 zulk eene inrichting te organiseeren. Ook het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen in de voorgestelde regeling zou met het oog op den spoedigen afloop van het bestaande octrooi groote moeilijkheid met zich brengen. Immers zou het de vraag zijn, of de Nederlandsche Bank bij ingrijpende wijziging van het wetsontwerp het octrooi zou willen aanvaarden en weigerde zij zulks, dan zou het niet wel doenlijk zijn vóór 1 April 1904 een ander particulier lichaam of eene Rijksbank in hare plaats te doen treden.

Andere leden meenden, dat het tijdstip van indiening geen bezwaar opleverde, vooral nu van sterken aandrang tot oprichting van eene Staatsbank niet is gebleken. Menweeserop.dat, al mogen de onderhandelingen lang geduurd hebben, daaruit eene regeling is voortgevloeid, welke zonder vrees voor tegenspraak over het algemeen bevredigend mag worden genoemd. Velen prezen het beleid van den Minister in deze belangrijke aangelegenheid. Men voegde hieraan toe, dat vroegere indiening van het wetsontwerp alleen dan mogelijk ware geweest, indien het octrooi eerder ware opgezegd. Daartoe was het tegenwoordige Ministerie echter niet in de gelegenheid, aangezien

Sluiten