Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

houders, maar ook het aantal stemgerechtigde aandeelhouders voortdurend toenam.

2°. Verscheidene leden herinnerden, dat reeds sedert 189-i telkens bij de schriftelijke en mondelinge behandeling van hoofdstuk VIIB der Staatsbegrooting gewezen is op de wenschelijkheid om de bank te belasten met de taak, die thans door de Rijksbetaalmeesters wordt vervuld. Van de zijde der Regeering is tegenover dezen aandrang telkens verwezen naar de behandeling van eene verlenging van het bankoctrooi. Het had bevreemding gewekt, dat de Regeering thans over deze zaak geheel zwijgt en men betreurde het, dat de functiën der betaalmeesters volgens het wetsontwerp niet aan de bank zullen worden overgedragen. Deze leden meenden, dat de taak dezer ambtenaren zeer eenvoudig is en door de bank gemakkelijk kan worden vervuld. Yoor den Staat zou de overdracht zeer voordeelig zijn; zij zou eene niet onbelangrijke besparing van uitgaven medebrengen en den Staat ontheffen van de moeilyke materieele controle op de betaalmeesters. De afzonderlijke administratie van de groote sommen, die gewoonlijk bij de betaalmeesters berusten, zou kunnen vervallen. Yoor hen, die mandaten op den Staat hebben te incasseeren zou de maatregel ook aangenaam zijn, omdat nu dikwijls gewacht moet worden, totdat de ontvangers de voor betaling noodige fondsen in handen hebben. Men vroeg of de Regeering niet alsnog van de bank zou kunnen verkrijgen, dat zij de taak der betaalmeesters voor hare rekening nam.

Naar aanleiding van deze opmerkingen werd door andere leden herinnerd aan art. 10, vierde lid, der bankwet van 1863, luidende: „De wet bepaalt, of en op welke voorwaarden zij (de bank) met den geheelen dienst van 's Rijks schatkist in het Rijk zal worden belast." Bij de wet van 24 Juli 1871 (Staatsblad n°. 86) werd de bank van de verplichting om zich met dezen dienst te belasten ontheven tegen betaling van ƒ 100 000. De gronden dier ontheffing waren in de eerste plaats, dat de agenten der bank, indien zij tevens met de werkzaamheden der Rijksbetaalmeesters werden belast, als zoodanig rechtstreeks onder den Minister van Financiën zouden moeten staan en overigens onder de directie der bank en dus „twee heeren zouden moeten dienen", en in de tweede plaats, dat van de ambtenaren der bank de kennis van de talrijke comptabiliteitsvoorschriften, vereischt voor behoorlijke uitoefening van de taak der betaalmeesters, niet was te vergen. Op grond van deze bezwaren werd eene bepaling als vervat in art. 10 der wet van 1863 in de bankwet van 1888 niet opgenomen. Deze leden waren van oordeel, dat met het oog op die bezwaren opneming van dergelijke bepaling ook thans geene aanbeveling verdient.

Sluiten