Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou met het oog op de wisseling van het personeel der directie wel geen zekeren waarborg geven, maar sommige leden achtten zulk eene verklaring toch niet zonder belang, waar zij zou strekken tot bevestiging van de tot dusverre steeds gevolgde goede tradities. Daarentegen viel huns inziens niet te ontkennen, dat aan de formuleering van een wettelijk voorschrift, dat onder alle omstandigheden bindend zon zijn, eigenaardige moeilijkheden zijn verbonden.

Eenige andere leden drongen intusschen op opneming van zoodanig voorschrift aan. Daartegen kon, meenden zij, bij de directie der bank weinig bezwaar bestaan, omdat het voorschrift niet anders zou zijn dan het uitspreken van een regel, die door haar reeds lang vrijwillig is gevolgd.

Eene afdoende waarborg tegen depreciatie van ons ruilmiddel zou zijn ontmunting van onze grove zilveren munt. Enkele leden wenschten, dat de Regeering daartoe geleidelijk zou overgaan. Indien jaarlijks eenige millioenen werden ontmunt, zouden de kosten over een langen termijn verdeeld worden. Verscheidene anderen wenschten de vermeerdering van inkomsten, welke voor den Staat uit de voorgestelde nieuwe regeling van het bankoctrooi zullen voortvloeien, tot verbetering van het muntwezen te bestemmen Werd jaarlijks eene som van ongeveer 3 ton gouds besteed tot ontmunting van grove zilveren munt, dan zou jaarlijks een nominaal bedrag van ongeveer vijfhonderd duizend gulden zilver uit den omloop verdwijnen. Gaandeweg zou dit eene belangrijke verbetering in ons muntwezen brengen, die ook voor de bank van groot belang zou zijn en haar gelegenheid zou geven in tijden van dreigenden gouduitvoer het disconto langer op het normale bedrag te houden.

Vele leden achtten het echter, ook met het oog op het Indische muntwezen, niet geraden tot ontmunting van zilver op groote schaal over te gaan met het doel om voor Xederland tot den zuiveren gouden standaard te komen. Zij meenden, dat voorshands geen bijzondere maatregelen noodig zijn, nu bij art. i dor wet van 28 Mei 1901 (Staatsblad n". 132) opnieuw aan den Minister van Financiën de bevoegdheid is gegeven zoo noodig 25 millioen aan rijksdaalders te ontmunten en te verkoopen. Wel zou dat bedrag bij langdurige hooge wisselkoersen niet voldoende zijn, maar nu door de bepaling in beginsel de verplichting van den Staat erkend is om het ruilmiddel tegen depreciatie te behoeden, mag men vertrouwen, dat, indien de noodzakelijkheid zich voordeed, zonder aarzeling ook tot ontmunting van eene grootere hoeveelheid zilver zal worden overgegaan. Tegen het denkbeeld om het uit de nieuwe regeling voortvloeiende voordeel voor ontmunting te bestemmen, werd

Sluiten