Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tweede lid. Sommige leden meenden, dat de voorgestelde regeling betreffende het continueeren van het octrooi gedurende twee jaren na de opzegging wei in liet belang van de bank, maar niet in dat van den Staat is. De Staat toch zal moeten toelaten, dat de bank gedurende dien tijd als circulatiebank werkzaam blijft, maar de bank zal wel het recht hebben, maar wordt niet verplicht na de opzegging met die werkzaamheid voort te gaan. Zij zou door terstond 11a de opzegging met de uitgifte van bankbiljetten op te houden den Staat in zeer groote moeilijkheid kunnen brengen en van deze bevoegdheid gebruik kunnen maken om voordeelige voorwaarden voor de verlenging van haar octrooi te bedingen.

Andere leden betoogden, dat het hier enkel geldt eene quaestie van redactie. Uit het betoog der Memorie van Toelichting blijkt, meenden zij, duidelijk, dat naar de bedoeling der Regeering de bank verplicht zal zijn hare werkzaamheid als circulatiebank voort te zetten. Evenwel is die bedoeling niet behoorlijk uitgedrukt en deze leden drongen dan ook op wijziging der redactie aan.

Sommige leden waren van meening, dat uit de bepaling niet duidelijk blijkt, op welk tijdstip de Staat en de bank het recht hebben het octrooi op te zeggen. Kan dit eerst geschieden na afloop van de 15 jaren, voor welke het octrooi verlengd zal worden, dan wordt het octrooi feitelijk met 18 jaren verlengd. Verduidelijking der redactie werd wenschelijk geacht. Anderen meenden, dat naar de gekozen redactie aan den Staat en aan de bank het recht niet kan worden ontzegd het octrooi in Maart 1917 op te zeggen. Het gevolg zou dan zijn, dat het octrooi op 31 Maart 1919 zou vervallen.

Enkele leden vroegen, of' met de bepaling, dat de presidentdirecteur en de secretaris der bank voor zeven jaren benoemd worden wel is overeen te brengen het geven van bevoegdheid tot eene opzegging, die het octrooi reeds na twee jaren doet vervallen. Anderen voerden hiertegen aan, dat de regeling van de opzegging niet afhankelijk behoeft te zijn van hetgeen in het algemeen ten aanzien van de benoeming van den presidentdirecteur en den secretaris is bepaald.

Art. 2. Een lid wenschtede Rijksverzekeringsbank uitdrukkelijk in het artikel vermeld te zien. Anderen achtten dit geheel onnoodig.

Art. 4. De hier aan de bank opgelegde verplichting strekt volgens de Memorie van Toelichting 0111 de intrekking der muntbiljetten zonder geldelijk nadeel voor den Staat mogelijk te maken. Zooals de Minister zegt, zal in de plaats van eene rentelooze, dadelijk opvorderbare schuld van 15 millioen jegens het

Sluiten