Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

publiek — voor zooveel de stand van 's Rijks kas dit zal vereischen — treden eene rentelooze, voorshands niet opvorderbare schuld tot gelijk bedrag jegens de bank. Waar dit zoo is, meenden verscheidene leden, dat de redactie van het artikel niet juist is. Bij deze redactie, die zich nauw aansluit bij art. 11 bis der wet van 1888, is, naar het schijnt, uit het oog verloren, dat een voorschot tot tijdelijke versterking der schatkist geheel iets anders is dan een voor den duur van het octrooi vastgelegd voorschot tot dekking van het voor den Staat uit de intrekking der muntbiljetten' voortvloeiend nadeel. De uitdrukking „telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist noodig acht" is in de thans voorgestelde bepaling misplaatst. In de tweede plaats is het met het doel der bepaling niet overeen te brengen de verplichting tot het verstrekken van het voorschot te doen ophouden, wanneer het beschikbaar metaalsaldo der bank beneden tien millioen daalt. Het gevolg dezer regeling zou ook zijn, dat op een oogenblik, waarop de bank bij voorbeeld tien millioen aan buitenlandsche wissels en iets minder dan tien millioen in beschikbaar metaalsaldo bezit, de Staat gedwongen zou kunnen worden van de som, voor intrekking der muntbiljetten besteed, rente te gaan betalen, en het is niet onwaarschünlijk, dat in die omstandigheden voor de schatkistpromessen en schatkistbiljetten, welke de Staat dan zou moeten uitgeven, zelfs eene hooge rente betaald zou moeten worden. Bovendien zouden die promessen voor het overgroot gedeelte toch weder bij de bank terechtkomen, zoodat het doel om in tijden van buitengewone kredietbehoeften het voorschot niet op de middelen der bank te laten drukken, ten deele zou worden verijdeld. Evenmin zag men in, waarom wordt voortgeschreven, dat voor dit vaste voorschot onderpand in schatkistbiljetten gegeven moet worden.

Er waren leden, die niet konden goedkeuren, dat de vlottende schuld, voortvloeiende uit de uitgifte van muntbiljetten, vervangen zou worden door eene vlottende schuld aan de bank. Waar eene regeling wordt voorgesteld, die evenzeer tot bezwaren aanleiding geeft als het behoud der muntbiljetten, meende men de vraag te moeten stellen, of het niet de voorkeur zou verdienen in de gevolgen van de intrekking dier biljetten te voorzien door uitgifte van geconsolideerde schuld en dus afstand te doen van het voordeel, dat de voorgestelde bepaling zou verschaffen.

Eenige leden merkten in verband met de bestemming van het voorschot, in het artikel bedoeld, op, dat dit voorschot wel minder, maar niet meer dan 15 millioen kan bedragen, en dat de bank voortaan geene bevoegdheid meer zal hebben aan den Staat ter versterking van de Rijkskas, zelfs niet tegen rente-

Sluiten