Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voorraad, zoolang zij daartoe bij machte zal zijn, voor uitvoer beschikbaar te blijven stellen op den voet van f 1653,44 per kilogram fijn voor baren en tot hiermede overeenkomende prijzen voor gouden muntspeciën.

Met deze verklaring in handen gaat de Regeering met gerustheid ten aanzien van dit belangrijk onderwerp de toekomst tegemoet.

Het is niet twijfelachtig, dat ontmunting van de grove zilveren munt een afdoenden waarborg zou opleveren tegen depreciatie van ons ruilmiddel. De kosten zouden echter zoo aanzienlijk zijn, dat men daartoe wel niet zonder dwingende noodzakelijkheid zal besluiten. Geheel ontoereikend ware het middel door verscheidene leden aanbevolen, om n.1. de vermeerdering van inkomsten, welke voor den Staat uit de voorgestelde nieuwe regeling van het bankoctrooi zal voortvloeien, te bestemmen tot verbetering van het muntwezen. De voorraad grove zilveren munt in Nederland alléén wordt in het laatste muntverslag geschat op + ƒ 130 000 000. Daarbij is te voegen het niet te ramen bedrag aan rijksdaalders, guldens en halve guldens, dat zich in NederlandschIndiö bevindt. Wat zou daartegenover beteekenen eene ontmunting waarvoor jaarlijks slechts ongeveer 3 ton gouds zou beschikbaar zijn? Wilde men in dit opzicht iets bereiken, dan zouden gedurende een reeks van jaren eenige millioenen moeten worden uitgegeven, en met het oog op den toestand der Rijksfinanciën ware dit zeker niet zonder bedenking. Met de vele leden die zich daaromtrent uitspraken, is de ondergeteekende van oordeel, dat — zoolang men vast besloten is, zoo dit noodig mocht worden, het in art. 4 der Muntwet 1901 neergelegd beginsel in toepassing te brengen, welke otters daarmede ook zouden gemoeid zijn — de quaestie van het zilver kan blijven rusten. De ervaring der laatste 25 jaren geeft eenige hoop, dat men, dank zij het beleid der Bank, aan de noodzakelijkheid om tot ontmunting over te gaan zal ontkomen. Bovendien, ook op muntgebied kunnen op den duur geheel andere toestanden intreden; ten slotte kunnen betere dagen voor het zilver aanbreken en men kan niet voorspellen, in welke mate de behoefte aan ons gemunt zilver in de koloniën nog kan toenemen.

§ 5. Men groot genoegen zag de ondergeteekende, dat de overgroote meerderheid der leden met de voorgestelde winstverdeeling ingenomen is, en voor de hem te dezer zake gebrachte hulde is hij zeer erkentelijk. De redenen waarom het onmogelijk en tevens ongewenscht zou geweest zijn, voor den Staat een grooter winstaandeel te bedingen, zijn in de Memorie van Toelichting en in het Voorloopig Verslag uiteengezet, zoodat

6

Sluiten