Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met eene verwijzing naar het in die stukken aangevoerde kan worden volstaan. — Slechts zij hieraan toegevoegd, dat de ondergeteekende goede gronden heeft om te onderstellen, dat de leden naar wier meening de Bank niet zou geweigerd hebben, een grooter winstaandeel af te staan, zich vergissen. Had de Bank na 1 April 1904 als concurreerende credietinstelling zonder recht tot uitgifte van biljetten moeten optreden, dan zou zij orgetwijfeld verplicht geweest zijn, hare geheele wijze van werken te reorganiseeren. Maar het is niet wel denkbaar, dat het aan de daartoe noodige geestkracht zou ontbroken hebben bij eene instelling die, wegens haar aanzienlijk kapitaal, haren gevestigden naam en hare uitgebreide relatiën, over groote voordeelen boven de meeste der overige hier te lande gevestigde credietinstellingen zou beschikt hebben.

§ (5. Zeer vele leden zouden het octrooi der Bank voor langeren tijd dan 15 jaren, liefst voor 25 jaren, verlengd wenschen te zien. Reeds in de Memorie van Toelichting gaf de ondergeteekende te kennen, dat ook naar zijne meening de gronden, die voor een langeren termijn pleiten, allerminst van gewicht ontbloot zijn. Onmiskenbaar juist is voorts de in het Voorloopig Verslag voorkomende opmerking, dat er in 1888 meer reden was, het octrooi slechts voor een kort tijdperk te verleenen dan thans, nu, met eene voor den Staat voordeeliger winstverdeeling, in hoofdzaak de bestaande en deugdelijk gebleken regeling bestendigd wordt. De zaak heeft echter twee zijden. Op de gronden in de Memorie van Toelichting aangegeven, kan de ondergeteekende vooralsnog niet besluiten de voordracht in dit opzicht te wijzigen.

Overwegend bezwaar echter zou hij hebben tegen het denkbeeld der leden die den termijn op 10 jaren gesteld zouden wenschen te zien. De Bank zou daardoor bij het nemen der maatregelen welke voor eene krachtige voortzetting en ontwikkeling van haar bedrijf noodig zijn, te zeer worden belemmerd.

Reeds in § 2 dezer Memorie werd gezegd, dat het opnemen van eene naastingsformule niet wenschelijk voorkomt.

Met eenige verwondering zag de ondergeteekende, dat tegen zijn voorstel om na afloop van den termijn van 15 jaren, het octrooi met telkens één jaar te verlengen, indien het niet te voren is opgezegd, bij sommige leden groot bezwaar bestond. In de Memorie van Toelichting werd ontwikkeld, voor welke moeilijkheden men staat, indien het octrooi op een bepaalden dag in een niet ver verwijderd verschiet ten einde loopt en nog geene zekerheid is verkregen omtrent hetgeen daarna zal geschieden. Die moeilykheden worden trouwens niet ontkend. Integendeel; uit § 1 van het Voorloopig Verslag blijkt, dat zij

Sluiten