Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en dat het voorstel tot intrekking van de muntbiljetten algemeene instemming vond.

Terecht wordt in het Voorloopig Verslag opgemerkt, dat het ernstig overweging verdient, of niet bepaald moet worden, dat men bij het doen van gerechtelijk aanbod van betaling en daarop volgende consignatie zal mogen gebruik maken ook van bankbiljetten. Inderdaad geeft het ontbreken van zoodanige bepaling reeds nu somtijds tot moeilijkheden en kosten aanleiding. Dit bezwaar zal — het werd in de Memorie van Toelichting erkend — bij intrekking van de muntbiljetten toenemen. Men kan evenwel verschillend oordeelen over de vraag, in welke mate dit het geval zal zijn; immers, wegens de betrekkelijke schaarschte der muntbiljetten is men ook nu wel verplicht zich met zilver te behelpen, zoodra een groote som binnen weinige dagen moet worden aangeboden. - Intusschen, niet de leden wier gevoelen hier wordt besproken is de ondergeteekende van oordeel, dat het aanbeveling verdient, ten aanzien van dit punt eene wettelijke voorziening te treffen. Indertijd voorstander van het amendement van den heer Veegens op het wetsvoorstel tot instelling van een consignatiekas (Gedrukte Stukken 1889 — 1890, {>(»), is hij steeds van gevoelen gebleven, dat het toelaten van bankbiljetten bij gerechtelijk aanbod van betaling en consignatie een groot gemak zou opleveren en zonder werkelijk nadeel kan geschieden. De daarentegen in de vergadering der Eerste Kamer van 16 December 1889 aangevoerde argumenten acht ook hij niet van overwegende beteekenis. De biljetten der Bank van Engeland, der Bank van Frankrijk en der Nationale Bank van België zijn respectievelijk in Engeland sedert 1834, in Frankrijk sedert 1870 en in België sedert 1873 tot wettig betaalmiddel gestempeld. Een wetsontwerp hetzelfde bepalende voor de biljetten der Nederlandsche Bank is in bewerking. Bij de behandeling van dat wetsontwerp kunnen de verschillende beschouwingen waartoe dit punt in het Voorloopig Verslag aanleiding gat, nader worden besproken.

De beslissing omtrent de intrekking van de muntbiljetten behoeft echter niet op dit latere wetsontwerp te wachten. Want volkomen terecht wordt door vele leden opgemerkt, dat de bezwaren uit die intrekking ten aanzien van het doen van gerechtelijk aanbod en consignatie voortvloeiende, in geen geval zoo gewichtig zijn, dat op grond daarvan het muntpapier zou moeten worden gehandhaafd. Het lot van het nader in te dienen wetsontwerp mag dan ook niet van invloed zijn op de thans te nemen beslissing.

De Nederlandsche Bank ontving bericht van haren leverancier, dat het onmogelijk is, reeds op 1 April 1904 bankbiljetten van ƒ 10 af te leveren, en dat eerst op 1 October daaraanvolgende

Sluiten