Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een voldoende voorraad voorhanden kan wezen. Mitsdien moet het in werking treden van het wetsontwerp tot intrekking van de muntbiljetten, op 1 October 1904 gesteld worden en is ook aanvulling van de artt. 4, sub lu, en 7, § 2, sub 2°., van het wetsontwerp tot verlenging van het Bankoctrooi, onvermijdelijk. De tot een en ander strekkende Nota's van wijziging wrorden bij deze Memorie overgelegd.

Reeds in het Voorloopig Verslag betreffende het Vilde hoofdstuk B der Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1902 kwam de klacht voor, dat ontvangers zouden geweigerd hebben, bankbiljetten in betaling aan te nemen. Daarop werd toenmaals het volgende geantwoord: „Dat 's Rijks ontvangers zouden geweigerd hebben, bankbiljetten in betaling aan te nemen, is den ondergeteekende niet bekend. Bij zijn Departement heeft steeds vastgestaan, dat zij tot die aanneming gehouden zijn. Ambtenaren die omtrent dit punt inlichting vroegen, zijn in dezen zin ingelicht". Sedert werd omtrent deze aangelegenheid nimmer meer eenige klacht vernomen.

Wetsontwerp tot verlenging en wijziging van het Itnnkoctrooi.

Art. 1, eerste lid. Hoewel aanhaling van art. 2 der wet van 1863 misschien niet strikt noodzakelijk is, verdient het niettemin aanbeveling dit artikel hier te noemen, omdat het ook ditmaal slechts geldt de verlenging van het bij de oorspronkelijke Bankwet van 1863 verleende octrooi.

Tweede lid. De opmerking werd gemaakt, dat de voorgestelde regeling betreffende het continueeren van het octrooi gedurende twee jaren na de opzegging wel in het belang van de Bank maar niet in dat van den Staat is, omdat de Bank gedurende dien tijd wel het recht maar niet de plicht zou hebben om als circulatiebank werkzaam te blijven. Er zij intusschen op gewezen, dat ook het 1ste lid, waarbij het octrooi voor 15 jaren wordt verleend, slechts gewaagt van een recht en niet van eene verplichting. Te dien aanzien bestaat er geen verschil tusschen het oorspronkelijk tijdperk en de jaren na de opzegging. Wilde men dus aan de hier gemaakte opmerking tegemoetkomen, dan zou ook in het 1ste lid de verplichting der Bank om van haar octrooi gebruik te maken zijn te vermelden. Zoodanige bepaling ware echter weinig in overeenstemming met het karakter van een van overheidswege verleend octrooi en zou meer passen in eene wederzijdsche overeenkomst. Zij komt evenmin voor in onze geldende Bankwet als in die van Engeland, Frankrijk of België. Men heeft het blijkbaar overbodig geacht, zich te wapenen tegen het gevaar, dat een zoo voordeelig recht als dat der

Sluiten