Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan niet behoefte aan kasgeld bestond, bevoegd zijn op 1 April 1904- eene som van ƒ 15 000 000 op te vorderen, waarover de Staat de vrije beschikking zou verkrijgen en die zou kunnen worden aangewend bijv. voor amortisatie van Nationale Schuld. De strekking der bepaling is echter eene andere: het voorschot zal slechts kunnen worden opgevraagd naar gelang de toestand van 's Rijks kas dit noodig maakt. De tijden dat de Staat ruim van kasmiddelen voorzien was, kunnen gedurende den loop van het octrooi terugkeeren, en alsdan zal de Bank niet tot het verstrekken van rentelooze voorschotten gehouden zijn. De aangehaalde woorden zijn derhalve in de voorgestelde bepaling noch misplaatst, noch overbodig.

Ongetwijfeld zal, wanneer de muntbiljetten zijn ingewisseld en zelfs vóór dien tijd, het geval zich kunnen voordoen, dat krachtens de nieuwe bepaling tot het maximum van ƒ 15 000 000 gelden bij de Bank zijn opgenomen en dat de stand van 'sRijks kas voorshands geheele of gedeeltelijke aflossing van dat voorschot niet gedoogt. In dat geval zou — aanvankelijk althans — de toestand feitelijk worden gelijk in het Voorloopig Verslag wordt gezegd, dat namelijk het voorschot wordt vastgelegd. Totdat ruimte van kas daarin verandering bracht zou die toestand voortduren. — Toch zou het ook dan nog niet onverschillig zijn, dat de strekking der bepaling door de woorden „telkens wanneer de Minister van Financiën dit tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist noodig acht" helder voor oogen bleef staan; en wel hierom. Wanneer tot het aangaan van eene staatsleening wordt besloten, zal, ter bepaling van het te leenen bedrag, zijn uit te maken, of behalve de vlottende schuld ook de krachtens het nieuwe artikel 11 bis aangegane schuld zal worden afgelost of niet. Nu zullen bij de beantwoording van die vraag verschillende factoren gewicht in de schaal leggen, zoo kan de toestand van de geldmarkt het wenschelijk doen voorkomen, het bedrag der leening zoo laag mogelijk te stellen, in welk geval men allicht het voorschot voorshands niet zou aflossen. Maar afgezien van deze en dergelijke overwegingen, die met het punt in quaestie geen verband houden, zal ongetwijfeld de thans gekozen redactie voor den wetgever een prikkel zijn om het voorschot in de leening te begrijpen en het debet van den Staat bij de Bank aan te zuiveren. Dit ware trouwens de meest aanbevelenswaardige wijze van handelen. Wel is waar zou dan, wellicht reeds na een betrekkelijk kort tijdsverloop in de plaats van de rentelooze schuld, thans dooide muntbiljetten vertegenwoordigd, rentedragende geconsolideerde schuld zijn getreden; maar daartegenover zou de Minister van Financiën wederom de bevoegdheid erlangen tot een maximum van ƒ 15 000 000 renteloos bij de Bank op te nemen, waardoor

Sluiten