Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In afwyking van het gevoelen van eenige leden kan de ondergeteekende niet inzien, waarom niet aan de commissarissen der Nederlandscbe Bank, evenals aan die van schier alle andere naamlooze vennootschappen, als vergoeding voor de verantwoordelijkheid en voor de moeite, die zij zich getroosten, een tantième zou mogen worden toegekend.

De bepaling, dat het aandeel van den Staat in de winst vervalt indien besloten mocht worden tot de uitgifte van muntpapier, acht de ondergeteekende meer nog in het Staatsdan in het Bankbelang. Zy levert een goeden waarborg, dat men niet weder tot de uitgifte van muntpapier zal terugkeeren.

Een staat, aanwijzende het bedrag der tantièmes, door directie en commissarissen in het tijdperk 1889/1890 tot 1902/1903 genoten, wordt als bijlage bij deze Memorie gevoegd. Voor vermelding daarvan in de eerste der beide in de Memorie van Toelichting voorkomende tabellen, bestond geene aanleiding, daar krachtens de geldende bepalingen de tantièmes geen deel uitmaken van de winstverdeeling gelijk die in de wet is geregeld.

Bij aanneming van het wetsontwerp zal de tekst der nieuwe Bankwet, zooals die in haar geheel zal luiden, in het Staatsblad worden gepubliceerd.

Wetsontwerp tot intrekking van (le Muntbiljetten.

Art. 1. De in het Voorloopig Verslag aangegeven redactie van het laatste lid, komt niet juister voor dan die welke in het wetsontwerp is opgenomen. Immers de bepalingen van artt. 2 en 8 zijn geene uitzonderingen op het beginsel, dat de muntbiljetten ophouden wettig betaalmiddel te zijn. Ook papier dat niet is wettig betaalmiddel kan worden ingewisseld en aan de Rijkskassen worden aangenomen.

Artt. 2 en 3. De ondergeteekende zou het niet wenschelijk achten, de hier bedoelde termijnen zeer ruim te stellen. Allicht zou na eenigen tijd de intrekking van de muntbiljetten bij het publiek in vergetelheid geraken. — Nu echter, gelijk hierboven bij § 7 is gezegd, de invoering van de wet op 1 October 1904 moet worden gesteld, is het noodig den termijn van art. 3 te verlengen van 1 April 1905 tot 1 October 1905. Nog gedurende een jaar na het in werking treden van de wet, zullen dan de muntbiljetten aan de Rijkskassen tot hun nominaal bedrag worden aangenomen.

De Minister van Financiën, HARTE VAN TECKLENBÜRG.

Sluiten