Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 4. De wijziging van artikel lltas der Bankwet vond geen onverdeelden bijval Volgens de Memorie van Toelichting is de nieuwe bepaling slechts een uitbreiding van art. llbis, 1° juncto 2de lid. De Bank zal in het vervolg tot een maximum bedrag van vijftien millioen gulden rentelooze voorschotten moeten geven aan den Staat. Zooals evenwel duidelijk wordt aangetoond, treedt deze rentelooze, voorshands niet opvorderbare schuld in de plaats van eene rentelooze, zij het dan ook dadelijk opvorderbare schuld jegens het publiek. Ten aanzien van de ruimte der kasmiddelen komt de nieuwe bepaling dus feitelijk neer op eene intrekking der verplichting der Bank om aan den Staat tegen de gewone beleeningsrente voorschotten te verstrekken tot tijdelijke versterking van 's Rijks schatkist. Naar het oordeel van verschillende leden zal dit den Staat verlies kunnen berokkenen.

By de tegenwoordige regeling betaalt de Staat nooit één dag rente te veel voor de gelden die moeten worden opgenomen. In het vervolg zal, naar men meende, om steeds in de sterk wisselende kasbehoeften te voorzien, het bedrag aan schatkistbiljetten, dat naar de bestaande regeling als onderpand voor te verstrekken voorschotten bij de Bank moet worden gedeponeerd en dat den Staat geen beleeningsrente kost, wel bijna doorloopend ten volle moeten worden uitgegeven. De daarop te betalen rente zal zeker meer bedragen, dan de rente welke thans over de voorschotten pleegt te worden betaald. Met het oog op dit vermoeden, zou men gaarne vernemen, hoeveel rente dooiden Staat aan de Nederlandsche Bank in de verschillende jaren sedert 1 April 1889 ingevolge art. ll&t's, sub 1°., van de tegenwoordige wet is betaald.

In dit verband werd ook bezwaar geopperd tegen de bepaling, dat de verplichting tot het verstrekken van voorschot ophoudt, wanneer het beschikbaar metaalsaldo beneden tien millioen gulden daalt, met het oog op de aan de Bank volgens art. 7, sub 5°., toekomende bevoegdheid. Het kan toch zijn. dat de Bank behalve een beschikbaar metaalsaldo van minder dan tien millioen gulden, nog een gelijk bedrag aan buitenlands betaalbaar papier in portefeuille heeft. Alsdan zou het belang der Bank, om het rentegevende buitenlandsche papier te behouden en het renteloos voorschot in te krimpen, in conflict komen met het belang van den Staat, dat medebrengt zoolang mogelijk over een renteloos voorschot ten bedrage van de volle 15 millioen gulden te beschikken. In dit geval geldt het motief, dat tot de bepaling van het nieuwe art. 11, laatste lid sub 2°., leidde, niet.

Hieraan had men kunnen te gemoet komen door voor te schrijven, dat voor de toepassing dezer bepaling de buiten-

Sluiten