Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heeft een punt van ernstige overweging uitgemaakt. De ondergeteekende gaf aanvankelijk aan wettelijke regeling, als de meest voor de hand liggende oplossing, de voorkeur, maar heeft omtrent deze quaestie, voor de beoordeeling waarvan speciaal practische kennis van het bankwezen en van de wisseltransactiën vereischt werd, vertrouwelijk het gevoelen van eenigedeskundigen ingewonnen. De meerderheid van deze geraadpleegde personen meende, in overeenstemming met de opvatting van de Bankdirectie, dat, indien de wet de Bank verplichtte, onder alle omstandigheden goud af te geven zoodra de wisselkoersen de goudpariteit hadden overschreden, daarvan door buitenlandsche instellingen en firma's misbruik zou worden gemaakt op de wijze als in het Voorloopig Verslag is uiteengezet. De algemeene bekendheid met de verplichting der Nederlandsche Bank in dit opzicht zou haren goudvoorraad aan voortdurende bestoking kunnen blootstellen. Men zal het billijken, dat de ondergeteekende tegenover deze uitspraak van de Bankdirectie en van andere met de praktijk vertrouwde personen, vreezende het doel voorbij te streven en daardoor te missen, zijne aanvankelijke zienswijze niet heeft doorgezet en zich met de in de Memorie van Antwoord aan de Tweede Kamer opgenomen verklaring heeft tevreden gesteld. Het is hem overigens aangenaam, nogmaals deze gelegenheid te kunnen te baat nemen om zoo stellig mogelijk uit te spreken, dat die verklaring niets anders — niets meer maar ook niets minder — bedoelt dan te verzekeren, dat in de traditioneele goudpolitiek der Bank geene wijziging hoegenaamd zal komen.

Voor zoover is kunnen worden nagegaan viel een oorzakelijk verband tusschen te ruime uitgifte van schatkistpromessen en uitvoer van goud in het verleden nimmer te constateeren. Mocht zulks zich in de toekomst voordoen, dan zou de ondergeteekende daarin echter onder geen beding aanleiding vinden tot het buiten werking stellen van de verbintenis, die de Bank jegens de Regeering heeft aangegaan.

Artikelen.

Art. 2. De bezittingen der Pensioenfondsen kunnen krachtens de nieuwe redactie van art. 10, 4de lid, van het octrooi bij de Nederlandsche Bank worden in bewaring gegeven. De vraag, in hoeverre het wenschelijk zal zijn, van deze bevoegdheid gebruik te maken, zal met de besturen dier Fondsen zijn te behandelen.

Het agentschap van het Ministerie van Financiën te Amsterdam is niet onder de hierbedoelde instellingen begrepen. Het vormt geen zelfstandig lichaam met een afgezonderd vermogen, als waarop het artikel betrekking heeft, maar is eene te

Sluiten