Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Amsterdam gevestigde atdeeling van het Departement van Financiën. De Bank kan mitsdien niet verplicht worden, krachtens de nieuwe bepaling de bij het agentschap berustende fondsen, bestaande in hoofdzaak uit verschillende ten behoeve van den Staat verpande waarborgkapitalen, in bewaring te nemen. Daartoe bestaat intusschen ook geene aanleiding. In 1886 is met groote kosten in het gebouw van het agentschap een branden inbraakvrije kelder gemaakt, die in geen opzicht behoeft onder te doen voor de kelders der Nederlandsche Bank. Voorts is in 1895 eene regeling ingevoerd, en sedert strikt gehandhaafd, volgens welke nagenoeg alle waarden worden geborgen in een afgesloten gedeelte van dien kelder, waarin de toegang niet dan aan twee verantwoordelijke ambtenaren gezamenlijk — n 1. den agent en den ambtenaar met de bewaring belast — is vergund.

Moeilijk is in te zien, waarom de niet zeer talrijke betalingen, welke thans door het agentschap geschieden en welke zich in hoofdzaak bepalen tot het voldoen van de koopsom van aangekochte wissels en fondsen en van verschuldigde provisiën, in het vervolg niet meer dadelijk in geld maar in cheques op de Bank zouden moeten plaats vinden. Hiervan zou geene besparing maar wel meerdere omslag en ongerief voor het publiek het gevolg zijn.

Art. 4. Naar het oordeel van verschillende leden zal de wijziging van art. 11 bis der Bankwet den Staat verlies kunnen berokkenen. Het voorschot ad / 15 000 000 — aldus luidt het betoog — zal geheel noodig zijn om de muntbiljetten af te lossen; is uit anderen hoofde kas versterking noodig dan zal de Staat dus niet meer als tot dusverre gelden tot een bedrag van ƒ 5 000 000 tegen rentevergoeding bij de Bank kunnen opnemen, maar schatkistpapier moeten uitgeven. „In het vervolg zal, naar men meende, om steeds in de sterk wisselende kasbehoeften te voorzien, het bedrag aan schatkistbiljetten, dat naar de bestaande regeling ais onderpand voor te verstrekken voorschotten bij de Bank moet worden gedeponeerd en dat den Staat geen beleeningsrente kost, wel bijna doorloopend ten volle moeten worden uitgegeven. De daarop te betalen rente zal zeker meer bedragen, dan de rente, welke thans over de voorschotten pleegt te worden betaald".

De juistheid van deze redeneering kan niet worden toegegeven. Vooreerst bedraagt het bedoelde onderpand ƒ 6 000 000 en het bedrag, waarover thans als voorschot in rekeningcourant kan worden beschikt / 5 000 000; in geen geval zou dus de uitgifte van het onderpand tot het volle bedrag noodig zijn om compensatie te vinden voor de ƒ 5 000 000, waarover men de be-

Sluiten