Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schikking zal verliezen. In de tweede plaats is volstrekt niet in te zien, waarom dat onderpand of ander schatkistpapier „bijna doorloopend" zou moeten worden uitgegeven. De noodzakelijkheid daartoe zal immers uitsluitend bestaan in die gevallen, waarin bij behoud van den ouden toestand het voorschot van art. 11 bis 1°. der geldende wet zou zyn aangesproken. Somtijds toont de rekening van den Staat bij de Bank gedurende maanden achtereen een creditsaldo aan. En evenmin als men in die tijden (onder vigueur van art. llte 1°., oud) geld bij de Bank behoeft op te nemen, zal men in het vervolg bij analogen kasstand — als dus het renteloos voorschot niet tot het volle bedrag van ƒ 15 000 000 zal zijn in beslag genomen — vlottende schuld behoeven uit te geven. In den toestand verandert uit een oogpunt van kasadministratie inderdaad zeer weinig. Thans wordt schatkistpapier geplaatst zoodra de debet-stand der rekening van het Ryk het maximum-bedrag van ƒ 5 000 000 bereikt; na invoering van het nieuwe artikel zal zulks noodig zyn zoodra het debetsaldo tot ƒ 15 000 000 is aangegroeid. Neemt men nu met do leden, wier gevoelen hier wordt besproken, aan, dat dit laatste onmiddellijk na de intrekking van de muntbiljetten het geval zal zijn, dan zal dus in de plaats van het oude voorschot schatkistpapier moeten treden; doch slechts tot zoodanig bedrag en zoolang als bij behoud van de tegenwoordige regeling het voorschot zou zijn aangesproken. Aangezien verder de rekeningcourantrente, die de Staat aan de Bank moet betalen, dezelfde is als de discontorente van bij de Bank geplaatste schatkistpromessen, zal — behoudens hetgeen hieronder nader wordt aangevoerd — uit de nieuwe regeling geen renteverlies voortvloeien.

Wellicht spruit de opmerking in het Voorloopig Verslag voort uit een misverstand. Begrypt de ondergeteekende het goed, dan verkeerden de leden, die deze opmerking maakten in de onderstelling. dat van het voorschot van art. 11 bis 1°. alléén dan wordt gebruik gemaakt, indien door onvoorziene omstandigheden het kasgeld van het Rijk ontoereikend is, maar dat bij de voorziening in de kasbehoeften op de bedoelde ƒ 5 000 000 niet wordt gerekend. In die onderstelling zou passen de argumentatie, dat men thans zeer zuinig kan zijn met de uitgifte van schatkistpapier, omdat, als men zich in zijne berekeningen vergist en de kasbehoefte grooter blijkt dan men had voorzien, de bevoegdheid om krachtens art. llbis 1°. gelden bij de Bank op te nemen uitkomst biedt; terwijl men in het vervolg, als niet meer over deze veiligheidsklep kan worden beschikt, voorzichtigheidshalve wel ruimer kas zal moeten houden en zich dus meer uitgaven wegens rente van schatkistpapier zal moeten getroosten. Deze onderstelling strookt echter niet met de wijze, waarop feitelijk wordt gehandeld. In den regel wordt eerst het voorschot uitgeput

Sluiten