Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

WET VAN 31 DECEMBER 1903 TOT INTREKKING VAN DE MUNTBILJETTEN (STBL. No. 336).

Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenschelijk is de muntbiljetten in te trekken:

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Artikel 1.

Er worden geen muntbiljetten meer uitgegeven.

De muntbiljetten, uitgegeven krachtens de wetten van 26 April 1852 (Staatsblad No. 90) en van 27 April 1SS4 (Staatsblad No. 98), worden ingetrokken,

De muntbiljetten hebben opgehouden wettig betaalmiddel tezyn.

Art. 2.

Tot 1 April 1909 zal de gelegenheid tot inwisseling der muntbiljetten openstaan bij de betaalmeesterskantoren, alsmede bij de Nederlandsche Bank te Amsterdam, bij hare bijbank en bij hare agentschappen en correspondentschappen der eerste klasse. De inwisseling zal, ter keuze van den houder, geschieden tegen specie of tegen bankbiljetten. Echter zal de inwisseling tegen specie bij de agentschappen en correspondentschappen zoo noodig kunnen worden uitgesteld, totdat specie van dehoofdbank zal ontvangen zijn.

Wij behouden Ons voor, zoo noodig regelen te stellen ten aanzien van de verwisseling bij de betaalmeesterskantoren.

De vorderingen, ontleend aan biljetten, welke niet binnen den in het eerste lid genoemden termijn, ter inwisseling zijn aangeboden, zijn vervallen.

Art. 3.

De muntbiljetten zullen nog tot 1 October 1905 bij alle betalingen aan Rijkskassen tot hun nominaal bedrag worden aangenomen.

Sluiten