Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 12.

De vorm en de hoegrootheid der uit te geven bankbiljetten worden door de directie der Bank ter kennisse van het publiek gebracht.

Zij geeft geene biljetten uit tot een lager bedrag dan van f 10 (tien gulden).

Art. 13.

De biljetten der Nederlandsche Bank zijn op vertooning betaalbaar bij de Hoofdbank, de Bijbank en de agentschappen.

De betaling bij de agentschappen kan echter worden uitgesteld, tot dat specie van de Hoofdbank zal kunnen ontvangen zijn.

De biljetten der Bank kunnen als betaalmiddel in 's Rijks kassen worden toegelaten.

Zij zyn vrijgesteld van het recht van zegel.

Art. 14.

De houder van een bankbiljet is bij uitsluiting gerechtigd om de uitbetaling der daarin uitgedrukte geldsom van de Bank te vorderen.

Wegens verlies of vernietiging van bankbiljetten behoeft door de Bank geene vergoeding verleend te worden.

Bij verdenking wegens misdrijf, of op schriftelijk aanzoek der belanghebbenden, staat het der directie vrij, quiteering en afteekening der biljetten te vorderen van hem, die ze ter inwisseling aanbiedt.

De bepalingen van artt. 227 — 229 van het Wetboek van Koophandel zijn niet van toepassing op bankbiljetten.

Art. 15.

Behalve bankbiljetten zal de Nederlandsche Bank geen ander papier uitgeven dan assignatiën aan order van het eene bankkantoor op het andere.

Art. 16.

De verhouding, waarin het gezamenlijk bedrag van bankbiljetten, bankassignatiën en rekening-courant saldo's door munt of muntmateriaaï moet zijn gedekt, wordt bepaald bij Koninklijk besluit, op voordracht van de directie der Bank te nemen. Dit besluit wordt in het Staatsblad geplaatst en, voor zooveel noodig, van tijd tot tijd gewijzigd.

Sluiten