Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 48. Het bezittelik voornaamw. van de 3 persoon enkelv is si (nederl. zijn, in de T. P. sji), dat van de eerste pers. meervoud ons. Voor t overige dienen dezelfde vormen als persoonl. en als bezittel, voornaamw.

§ 49. Het aanwijzend voornaamw. is die, onverbuigbaar en voor alle geslachten gelijk: Die ben die boek (dit is het boek, N. T. H. Mth. 1, 1). Het kan, zelfstandig gebruikt, even als een zelfstandig naamw. si achter zich krijgen: die sie moeder (die z'n moeder, de moeder van deze, G. H. blz. 21).

Naast die komt in de beide bijbelvertalingen herhaaldelik deese voor (b. v. deese verlies, N. T. Mth. 26, 8; deese water, N. T. H. Mth. 26, 9), maar de G. H. verklaart dat het „wohl oft in gedruckten Schriften gebraucht, aber in gemeinen Reden selten gebraucht" wordt (blz. 221. De G. D. vermeldt het niet

eens. Hetzeltde geldt van dujeen, degene, dat een enkele maal in de vertaling der Duitsers voorkomt (b. v. Mth. 5 , 42 . 46).

Ter vermeerdering van nadruk of tot scherpere bepaling vindt men somtijds dieselve of dieselvde, waar dus in het Grieks airó torro of ixstvo staat; b. v.: dieselvde dat jender ka kom godlik bedroefd (N. T. H. 2 Cor. 7, 11), na dieselvde dan

2 I 1 i "IVT m r» T I . . „ . J

jcnucr m weei u>. i. u. Joh. 14, 20). Misschien is deze

wijze van spreken met onbekend geweest aan de blanken: zuiver Kreools schijnt ze niet. Zij komt alleen voor in de bijbelvertalingen.

In het eigenlike Kreools kan die versterkt worden door 't voorvoegen van da (daar), dus da die (G. H. blz. 22). Men vergelijke Het Afrikaansch, blz. 139 vlg.

§ 50. Het betrekkelik voornaamw. is die; de G. H. noemt ook welke, en haalt zelfs een voorbeeld aan uit de bijbelvertaling (Phil. 4, 3), maar zulk een op zich zelf staand geval leert niets omtrent het werkelik gebruik van de vorm.

Ook wie komt voor. B.v. Johannes wie sie kop hem ha ka lastaen kap af (Johannes, wiens hoofd hij had laten afslaan, N. T. D. Inhoudsoverzicht van Math. 14).

§ 51. Wie, welk (onverbuigbaar), wat of wagoed zijn de vragende voornaamwoorden.

§ 52. Als wederkerend voornaamw. dient het persoonl. voornaamw., in de regel versterkt door toevoeging van het woord s\elf. Voor de derde persoon is daarbij zo wel (h)em in gebruik

Sluiten