Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

m den alten) und im Reden ist nun das lo mehr gebrauchlich als le, und liesse sich am besten mit dem Englischen do und (lid, oder mit dem altdeutschen thue, that erklaren, z. Ex.: Em lo kom, er komml, er Hiut kommen; mi lo skriev, icli schreibe, ich thue schreiben, ich bin im sclireiben."

In overeenstemming met deze mededelingen vindt men in de oudste teksten, dus bij Oldendorp en in de G. D., le; in 't laatste werk staat bij dit woord alleen dat het „in 't Kreools meestal gebruikelik is 't woord le vóór t praesens te plaatsen.'' Bij Van Name en in de T. P. vindt men alleen lo; de bijbelvertalingen hebben noch le noch lo, maar voor 't praesens alleen het werkwoord.

In geen van onze teksten vindt men le regelmatig gebruikt, zelfs niet in de meerderheid der gevallen; dit geldt ook van «Ie G. D. Te vergeefs heb ik gezocht naar een reden waarom le soms gezet en meestal weggelaten wordt. Verschil tussen transitieve en intransitieve werkwoorden, gelijk 't Negerfrans der Antillen bij een dergelijke konstruktie maakt viel niet waar te nemen; ook de verklaring van de G. H., die blijkbaar ui t gebruik een streven om met nadruk te spreken ziet naast de wens om een begrip als duratief uittedrukken, past niet \ooi alle gevallen, al kon zij dikwels worden aangewend 2). Het i> mogelik dat oorspronkelik le elk werkwoord dat de tegenw. tijd aanduidde placht te vergezellen, en dat dit gebruik aan 't uitsterven was reeds in de tijd waarin de oudste teksten zijn opgesteld.

Nog moeiliker wordt de bepaling der eisrenlike IvTflflïf Vflll

Ie indien men, gelijk Van Name doet, het met lo identificeert, daar dit io Dok gebruikt wordt om het op handen zijnde futurum aan te wijzen. Tegen deze identificatie van le en lo pleit al dadelik de vorm, daar lo ongetwijfeld het Nederlandse woord y)en (loop) is, en 't zeer onwaarschijnlik moet heten dat daarvan de oudere Kreoolse vorm le geweest zou zijn. Ik meen dan ook dat men de twee vormen moet scheiden. Le is 't oorspronkelike

') Poyen—Bellisle, § 93—116.

v» ' J°° n'n(^' men 'n k'z' V'S- een theologiese uiteenzetting

I ,de ""eenheid waarbij de spreker zich voortdurend van le bedient om ' doorlopende eigenschappen en daden van de Vader, de Zoon en de ifiiige Geest te vermelden. Zie aldaar, blz. 56, 73, 77.

Sluiten