Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grun akker, T. P. blz. 138. Nederl. grond, ook overgegaan in 't Negerengels (gron); zie Nederl. Woordenb. i. v., kolom 969, en vgl. het Westindiese woord kostgrond, land waar eetwaar geteeld wordt.

gurri groeien T. P. blz. 135 (zie § 39).

H

Hab hebben, N. T. Mth. 3, 4. Die hab betekent er is, G. D. blz. 56; dit gebruik van 't woord hebben komt in zo talloos vele talen voor dat het niet nodig is aan ontlening te denken, halsneesdoek halsdoek, G. D. blz. 78. Vgl. mouchoir de poche en

mouchoir de cou.

hang si selv na zich ophouden bij, N. T. H. Luc. 15, 15. hangman beul, G. H. blz. 35.

haschee brandhout, N. T. H. Handl. 28, 3 (Sp. hachcar, hout klein hakken).

heet hitte, N. T. H. Mth. 20, 12.

hemmete hemd, N. T. D. Joh. 21, 7.

herbergeer herbergen, N. T. D. Mth. 25, 43.

hodfo jood, G. D. blz. 19 (uit Sp. judi6, maar hoe?).

hoener, hunder, hundu kip, N. T Mth. 23, G7, G. D. blz. 34, T. P. blz. 135. Gelijk in 't Afrikaans een uit het meervoud van het Nederl. woord afgeleide vorm.

hoenderhaan, hunderhaan haan, G. D. blz. 67. ' * -tf ■ hofje, hoffie tuin N. T. Joh. 20, 15; G. D. blz. 11; hoffjeman, tuinier, ibidem.

hoopning hoop, N. T. H. Handl. 2, 26. Germanisme, de Denen hebben hoop.

hoppo op, opstaan, N. T. D. Luc. 15, 18. Het woord is ook bekend

in 't Negerengels.

hutje dameshoed, G. D. blz. 79. Evenals in 't Afrikaans (Hoogenhout blz. 51) duidt het verkleinwoord een vrouwehoed aan; hoed is 't hoofddeksel van een man.

hyklar huichelaar, N. T. D. 6, 2. Danisme (hykler).

I

Inviteer uitnodigen, Ps. blz. 127.

Sluiten