Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J

Jacob Evert naam van een vis, Oldendorp blz. 107. Ook Afrikaans:

Jakobiwert (Zie Veth, Uit Oost en West, Arnhem, 1889, blz. 154). jam(m)er medelijden, medelijden hebben, N. T. Mth. 9, 27; 9, 36. jeet eten, N. T. Mth. 12, 1.

jekké paarlkoen, T. P. blz. 135. Oorsprong mij onbekend.

jump, tjomp springen, G. D. blz. 35, N. T. Luc. 1, 41, 44. Ook in Nederland niet onbekend, vooral in de matrozetaal (Eng. tojuwp).

K

Kaba voltooien, Ps. blz. 153; op, G. D. blz. 56 (Pap. caba, Sp. acabar). kabaen slaapmat, G. D. blz. 61. In 't dialekt van Aardenburg (Koord en Zuid, II, blz. 310 vlg.) is kavaone (Fr. cabane) de verplaatsbare woning van een schaapherder; daaruit kan de betekenis van slaapstee ontstaan zijn.

kabritta zie cabrita.

kaek wang, N. T. Mth. 5, 39.

kaggel veulen, N. T. Mth. 21, 2.

kaj uitroep van verbazing, G. D. blz. 80. Dit tussenwerpsel komt ook in het Negerengels voor. Zie Elzeviers Maandschrift, 1904, blz. 823. Ca Ü't / •••

kajaen Cayennepeper, G. D. blz. 57.

kakketis hagedis, G. D. blz. 35, Oldendorp blz. 96.

kalala halssnoer, G. D. blz. 78. Nederl. kralen? la 't Negerengels

heet een halssnoer wan nekikrala (neki = nek).

kan gewoon zijn, plegen, G. D. blz. 59.

kanifister naam van een vrucht, G. D. blz. 65; volgens Oldendorp (blz. 192) „nennen die Neger den Cassiaröhrenbaum (Cassia fistula) Cant fister". Ook 't Negerengels heeft kanifiso; door Europeanen schijnt de Latijnse naam verknoeid te zijn.

kanoe krib (voerbak voor dieren), Ps. blz. 27 (Sp. canoa, schuitje,

naar de overeenkomst van vorm?).

karang naam van een vis, klipvis, G. D. blz. 66 (Mal. karang, op Mauritius carangue, door de zeemanstaal verder verbreid).

Sluiten