Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SPROOKJES

Goudharig zusje niet haar roode wangen

Staat, om verhaaltjes beedlend, aan mijn schoot, De guitige oogjes glinstrend van verlangen.

'k Vertel haar dan van reuzen wondergroot Die zich van bloesemboomen ruikers rapen,

Van dansende elfen, die bij zomernacht Stil in den kelk der witte leliën slapen,

Van lichtpaleizen vol van droomenpracht.

Maar strakjes klaagt ze, dat ze al die dingen

Graag wou bekijken en toch nimmer ziet,

En 'k zeg haar lachend als ze door blijft dwingen: „Och kindlief, 't zijn maar sprookjes, anders niet!"

Wij ook, we luistren stil en opgetogen

Naar al wat de verbeelding ons verhaalt, Met bonzend hart, met vochtig glanzende oogen

Hebben we vaak in 't wonderland gedwaald; Als kleine kindren dwingen we van 't leven Om 't fraaie speelgoed, dat „illuzie" heet En schreien als liet ons niet werd gegeven:

„Het zijn maar sprookjes" klinkt het koud en wreed. Goddank! daar zijn nog wondere verhalen,

Zoo oud, zoo schoon, zoo vol van zonneschijn,

Die 't onbekende, verre land ons malen —

't Land van Geluk — en die geen sprookjes zijn.

Sluiten