Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DOOD

Zult gij zóó komen, stille bleeke man:

Op ééns mijn huis doen beven van uw tred Wen ik blij lachend op het zonlicht let En als mijn meester u niet denken kan ?

Terwijl ik zing en liefheb, met één slag Verwoesten wat mij vreugde was of smart,

Uw kille handen op mijn gloeiend hart,

Mij doen verstijven met uw wreeden lach ?

Niet zoo, niet zoo — maar als een afgezant, Wel ernstig in zijn somber-strak gewaad Maar van wiens voorhoofd toch een lichtglans gaat. Een weerschijn van zijn schoon en heerlijk land.

Maar als een moeder, die haar schreiend kind — 't Wil slapen maar het is in duister bang — Met zoete kussen en met zacht gezang Blijft sussen en zijn vreeze overwint.

Maar als een wijze, die de raadslen kent Waarop ik lang en angstig heb gestaard,

En al de vreemde wondren openbaart Onder de blanke plooien van zijn tent

Mocht gij zóó komen: Engel van het licht, Vertrouwde vriend met stil geduld gewacht, Al gevend waar 't onrustig hart naar smacht ln 't zalig schouwen van Gods aangezicht.

Sluiten