Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op de buitensingels der samenleving. Ook in ons goede land is, meen ik, wel iets te ontdekken van de stemming, die onlangs een van de Duitsche beoefenaren onzer wetenschap de verklaring ontlokte, dat de theologie heden ten dage bij andere faculteiten een achting geniet, zooals zij nog niet genoten heeft, sedert de andere wetenschappen van haar heerschappij werden bevrijd Moge ik het U met mijn vele gebreken nu maar niet al te moeilijk maken de theologie met een gunstig oog aan te zien! Wanneer de mate van uw vriendelijkheid voor mij eenigszins in overeenstemming is met de diepte van mijn gevoel van onwaardigheid om in uw midden te verschijnen, dan heb ik alle reden om dubbel en dwars tevreden te zijn.

I >at geldt met bijzonderen nadruk van U, Professoren deitheologische faculteit. Met mijn gansche hart ben ik U dankbaar voor de bemoediging, die er van de mij uwerzijds reeds betoonde welwillendheid uitgaat. Ik heb er een sterk besef van, dat ik in 't geheel niet met U kan meedoen. Ik wil ook niet beproeven met U mee te doen. Als Gij mij vergunt een „waterdrager en houthakker" te zijn in het heiligdom, door U bediend, dan zal ik dat als een groote eer beschouwen, allereerst om de heerlijkheid van dat heiligdom zelf, dan ook om den eerbied waarmee ik tegen U opzie. Uw vriendschap te verwerven is mijn oprecht verlangen. De uwe, geachte van Riujn, heb ik reeds bezeten van onzen studententijd af. Dat is lang geleden. En toch is er nooit een oogenbiik geweest waarin we gevraagd hebben: zouden wij ze nu maar niet liever begraven? Gij weet, dat mijn hart zich warm aan 't uwe verbonden gevoelt. En dat het u innig dankt, ook voor hetgeen Gij in den laatsten tijd voor mij en mijn huis zijt geweest.

J) Kade, Cliristliclie Welt, 1899 No. 52.

Sluiten