Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En Gij Hoeren studenten! „Kin Jurist kann wol ein Schalck seyn, after zu eiuem Theologe gehort ein frommer Mann." Aldus Maarten Luther. I)e Hervormer zou er misschien geen bezwaar in gezien hebben, ook tegenover medici en literatoren en philosophen het praerogatief der godzaligheid uitsluitend voor de beoefenaren der sancta theologia op te eischen. Maar gij, mijne Heeren, weigert met mij dergelijke onderscheiding te aanvaarden. En wanneer Gij dat „frommer Mann" maar neemt in den gezonden, kloeken zin, dien het heeft, dan voelt gij zelf wel, dat het met uw wetenschappelijke opleiding o zoo nauw samenhangt, u den toegang tot een onbeschrijfelijken rijkdom van zedelijke idealen opent, en 11 het geheim ontsluiert van de kracht, ik zeg niet om veelweters en succes-jagers, maar om menschen te worden in de edelste beteekenis van het woord, karakters, persoonlijk heden, in staat om voor anderen en uzelf uw kennis goed te gebruiken, granietgestalten van wilskracht en van beginsel, die onze maatschappij niet kan missen, wanneer zij althans niet in doodelijk mechanisme zal ondergaan. Als ik aan de bevordering van dit groote streven iets kan mede werken, verklaar ik mij daartoe gaarne bereid. Het is mij een voorrecht in zekeren zin weer student met U te mogen worden, althans in zoover het „studeeren" niet als een derivatie a non studendo wordt opgevat, en uw leven in hooge mate de kenmerken pleegt te vertoonen van jeugdige frischheid en vroolijken gloed.

Tot U, studenten in de theologie, wil ik herhalen hetgeen Witsius indertijd zijn aanstaande leerlingen toeriep, bij de gelegenheid, in den aanvang mijner rede vermeld: „Quicquid habeo, si quid habeo, vobis habebo. Quicquid possum, vobis potero. Quicquid sum, vobis ero. Vobis studebo, vobis laborabo, vobis commentabor." Wat ik U leeren kan is niet veel, maar misschien zult Gij het toch wel nu en dan kunnen gebruiken als een soort van springplank om verder te

Sluiten