Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der onzienlijke dingen; en met het licht, dat het Woord over de toekomst schijnen laat.

Dit alles geldt voor de Natuurkennis, maar niet minder voor de Aardrijkskunde, voor de Geschiedenis, voor de Taalkunde, voor het Rekenen en den Vormleer, voor Schrijven en Teekenen, voor Zingen en Handwerken.

Het aanschouwelijke moet in al die vakken tot zijn volle recht komen, maar dienstbaar gemaakt worden aan het doel naar het Woord Gods. En dat doel moet tot het verstand, tot het bewustzijn van den leerling spreken, dat doel moet door den meester gezegd worden. Dat doel en het zeggen moeten roorop gaan.

De leeriwm is hiermee insgelijks bepaald. Wij leeren door zeggen, door gezag.

Het Woord Gods geeft aan den leerling de ware vrijheid, 0111 bij het licht Gods in gebondenheid aan Gods Woord, door het geloof, later uit eigen oogen te zien; maar dat Woord komt allereerst met gezag, en geeft daarom plaats voor een meester, die zegt, hoe de dingen zijn; — gelijk het Woord door Profeten en Apostelen tot ons komt en gelijk er Souvereiniteit is in eiken kring, ook in de leerschool der kennis.

Het aanschouwen is hulpmiddel voor den meester; het woord spreekt vóór het ding.

Zoojian bijv. het aanschouwelijke sissende figuur in den vorm van den letter s dienstbaar zijn, om het geheugen te helpen; —indien zielkundig en paedagogisch zulk hulpmiddel gewenscht blijkt; maar den naam van het lettertiguur door het aanschouwelijke te laten bepalen, achten wij een fout. Het kleintje mag een hond waf noemen, het sr/wo/kind mag dat niet; wij zeggen, dat het dier hond heet, en het kind moet dat leeren onthouden, d. i. zijn gedachte daarin gevangen geven, al moet het gedurig ook een hond zien, om een hond te kennen. Zoo ook dunkt ons de weg, dat de leermeester leert, dat er woorden en letters zijn en hoe. ze herten; dat moet onthouden, aangenomen worden, al kan het aanschouwen daarbij het geheugen en den meester helpen.

(P-ui.-m

Sluiten