Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waar gras en onkruid ivelig groeien,

Zullen vruchtboomen spoedig niet meer bloeien.

Ongeveer twee jaren geleden verscheen een opstel in het Tijdschrift van de Nederlandsche Heide-Maatschappij (no. 1 van den jaargang 1901), getiteld: „Onze boomen aan wegen en in lanen en hunne verzorging."'

In dit opstel werd de aandacht gevestigd op den armzaligen toestand waarin vele dezer boomen verkeeren, omdat over het geheel genomen al zeer weinig zorg aan deze „ verstootelingen" wordt besteed. In den regel 1° door onbekwame handen .gesnoeid", zooals het betiteld wordt, zijn zij 2° veelal op te geringen afstand geplant en is 8° hun voet langs den berm der wegen, hetzij door harden grond of door grasvlakten bedekt en heeft de grond aldus een gering doorlatingsverniogen voor lucht. Gewoonlijk 4° wordt het afgevallen blad niet besteed om aan den grond terug te geven wat dezen jaarlijks ontnomen wordt. Evenmin 5° wordt aan rationeele bemesting van den boom gedacht en 6° wordt niet gezorgd voor behoorlijke toediening van water aan den grond en besproeiing van het loof.

Voornoemd opstel mocht de aandacht trekken van velen en gaf aanleiding tot verschillende opmerkingen van geachte zijde, in welke nog enkele andere fouten bij de planting en de verzorging dier boomen werden aangewezen.

In dit opstel werd door ons ook met enkele woorden gewag gemaakt van de velerlei onderzoekingen en proeven, die al sinds 1895 in vollen gang waren op de terreinen van de Woburn-Experiniental-Pruit-Farm onder leiding van den Hertog van Bedford en Dr. Spencer U. Peckering. In het eerste verslag van die proefnemingen werd toen reeds met duidelijke .woorden neergeschreven, dat «ras of onkriiitl. waar dit in de gelegenheid wordtvgesteld in de onmiddelijke nabijheid van den stam der vruchtboomen den grond 'te bedekken, eenen allerverilerfi'lijksten invloed uitoefent op het leven, den groei en de vruchtvoortbrengins: der boomen.

Het onlangs verschenen derde verslag van de voortgezette proeven aan deze inrichting geeft ons aanleiding thans het woord te richten tot de Fruitteelers in het algemeen en tot de Boomgaardeniers in 't bijzonder, ten einde hen meer uitvoerig in kennis te stellen met de uitkomsten van die proefnemingen en onderzoekingen en die uitkomsten aldus in ruimen kring bekend te maken, ten einde te waarschuwen voor de gevolgen van eene nog steeds in zwang zijnde wijze van planten.

't Schijnt ons toe, dat het gewenscht is, zonder in kleine bijzonderheden te treden, eenigszins uitvoerig die proefnemingen te bespreken, vooral om de Boonigaardeniers in kennis te brengen met de verkregen vergelijkende cijfers, aangezien deze

Sluiten