Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den loop der jaren kreeg onder de gezaaide grassoorten de Kropaar (Dactvlis glomerata) de overhand.

Het onkruid bestoud in 1895 voor een zeer groot deel uit de reukelooze Kamille (Matricaria iuodora), voor een ander groot deel uit Varkensgras (Polygonum aviculare), niet Mier of Muur (Stellaria media) en verschillende distels. In 1896 was de reukelooze Kamille voor een deel verdrongen en was hare plaats ingenomen door het Varkensgras, terwijl een aantal wilde grassen (1'oa trivialis, Holcus lanatus, Dactylis glomerata, Alopecurus agrestis, Alopecurus pratensis en Triticum repens, — het bekende kweek) welig tierden. Voorts vond men er de kleine Weegbree of Hondsribben (Plantago lanceolata), de kleine wilde Zuring of Schaapszuring (Rumex Acetosella) en klein Hoefblad (Tussilago Farfara). Bovendien nog Meizoentjes, eenige distelsoorten, enz.

Langzamerhand werd veel van al deze onkruiden verdrongen door het gewone Beemdgras of Henneppik (Poa trivialis).

Het gras werd van tijd tot tijd gemaaid; het maaisel bleef op het grasveld liggen en kwam dus weer aan de bouwvoor ten goede. Het onkruid werd aan zichzelven overgelaten. De verschillende onkruidsoorten en grassoorten, zooals boven kort gemeld is, werden verdrongen of verdrongen anderen, naarmate haar weerstandsvermogen en haren levensduur.

Niettegenstaande het gezaaide gras zeer laat opkwam bleek reeds iu het tweede jaar na de planting dat de bladeren der gras-struikvormen 35 % in grootte minder waren dan die der open-groiid-striiikvoriiicii en de bladeren der gras-kroonboomen 41"/',, minder in grootte dan die der opeiigroiid-kroonhoomcii.

Wat hunnen dikte-groei betreft waren de gras-gtruikvoriiien 8Vl« minder dan de opeii-grond-struikvormeii en de gras-krooiibooineii waren 74"/® ten achter bij de opeii-groiid-kroonhooiueii. Zijn dit geen getallen die spreken!

En de vruchten ? Van de gras-struikvoriiien waren »Ie vruchten gemiddeld 71 "/„ achter in gewicht en Hi"l« in waarde bij de open-grondstruikvormeii.

Van bijzonder belang is de vergelijking van de onkruid-struik vormen en onkruidkroonboomen met de gras-struikvormen en gras-kroonboomen. Vooral is dit sprekend voor de oiikruid-krooiibooiiien. Deze bleven 4:i"/o in diktcgroei achter en de graskroonboomen 74%, beide vergeleken met opcii-grond-krooiihoomcii.

In bladgrootte bleven de gras-kroonboomen 41°/« achter, terwijl onkruidkroonhoumeii, voor zooverre zij vergeleken konden worden, maar 1% minder slecht waren dan de gras-kroonboomen. Van belang mag het zeker zijn hierbij te voegen, dat de perceelen, die geheel verwaarloosd werden, in den open grond en zonder mest groeiden, 28"/o achter bleven bij de open-grond-kroonboomen. Dus geen mest en verdere vcrwaarloozing der boomeii zette ben iu bladgrootte 28% achteruit, maar gras er omheen 41%. Cijfers om in het geheugen te prenten!

Het verslag geeft ons een achttal photo's van proef boomen en open-grond-boomen, die zeer leerzaam zijn. Reeds bij den eersten oogopslag vallen de eersten op als schrale, weinig ontwikkelde boouien (kroon- en struikvorni) met een armzalig uiterlijk en vergeleken bij de anderen met lichtgroene tot bleekgele bladeren.

Men kan het deu boomen aanzien, dat zij niet in goeden doen verkeeren. Ueeds toen bleek, na een paar jaren, dat door het gras en liet onkruid eene groote schaile worden toegebracht.

't Lag voor de hand, dat de onderzoekers trachtten na te gaan, welke de oor-

Sluiten